
© iStock / demarco-media
Dat kosten voor een eerste beroepsopleiding of voor een eerste studie die tegelijk een eerste opleiding vormt niet als beroepskosten kunnen worden afgetrokken, is niet in strijd met de Duitse grondwet. Dit heeft het Bundesverfassungsgericht beslist in een op 10-01-2020 gepubliceerde beschikking.
Achtergrond:
Volgens de wet zijn uitgaven voor een eerste beroepsopleiding of voor een eerste studie die tegelijk een eerste opleiding vormt niet als beroepskosten aftrekbaar. In plaats daarvan verlagen zij slechts als bijzondere uitgaven (Sonderausgaben) het belastbaar inkomen in het jaar waarin zij worden gemaakt. Momenteel bedraagt het maximumbedrag van de aftrek als bijzondere uitgaven voor kosten van een eerste opleiding 6.000 EUR.
Daarentegen kunnen uitgaven voor verdere opleidingen en voor eerste opleidingen die in het kader van een dienstbetrekking plaatsvinden, evenals andere uitgaven ter verwerving, zekerstelling en behoud van inkomsten, als beroepskosten worden afgetrokken, voor zover zij beroepsmatig zijn veroorzaakt.
De aftrek van beroepskosten vereist echter niet dat de belastingplichtige op dat moment reeds inkomsten geniet. Vereist is dat de uitgaven in een voldoende concrete, objectief vaststelbare causale samenhang staan met latere inkomsten.
Feiten:
De eisers in de zes oorspronkelijke procedures vorderden telkens de erkenning van de kosten van hun eerste studie respectievelijk van hun opleiding tot piloot als beroepskosten. De 6e kamer van de BFH was van oordeel dat het zogenoemde aftrekverbod bij eerste studie en eerste opleiding in strijd is met het algemene gelijkheidsbeginsel. De beroepsopleiding respectievelijk een studie is doorgaans een noodzakelijke voorwaarde om later inkomsten te genereren, betoogde het hoogste Duitse belastinggerechtshof. De uitgaven voor de eerste opleiding zijn daarom ook beroepsmatig veroorzaakt en dus voorafgaande beroepskosten. Bovendien is er volgens de BFH geen objectieve grond voor de ongelijke behandeling van eerste en tweede studie respectievelijk de opleiding in het kader van een dienstbetrekking.
De BFH had deze procedures daarom opgeschort en aan het Bundesverfassungsgericht de vraag ter prejudiciële beslissing voorgelegd. Namelijk of de relevante bepaling van het EStG in zoverre verenigbaar is met de grondwet, voor zover daarin uitgaven van de belastingplichtige voor zijn eerste beroepsopleiding of voor een eerste studie die tegelijk een eerste opleiding vormt geen beroepskosten zijn, wanneer deze beroepsopleiding of eerste studie niet plaatsvindt in het kader van een dienstbetrekking en er ook geen verdere inkomstenbelastingrechtelijke regelingen bestaan waarmee de door het aftrekverbod getroffen uitgaven de heffingsgrondslag van de inkomstenbelasting verlagen.
Beslissing:
De rechters van het Bundesverfassungsgericht achten de bepaling verenigbaar met de grondwet.
Weliswaar leidt de bepaling tot een ongelijke behandeling van uitgaven van de belastingplichtige voor zijn eerste beroepsopleiding respectievelijk eerste studie die tegelijk een eerste opleiding vormt (kosten van een eerste opleiding), ten opzichte van uitgaven ter verwerving, zekerstelling en behoud van inkomsten, waartoe ook uitgaven voor tweede of verdere opleidingen evenals uitgaven voor een eerste beroepsopleiding of een eerste studie kunnen behoren die in het kader van een dienstbetrekking plaatsvinden.
Omdat er echter voor de toerekening van de uitgaven voor een eerste opleiding aan de bijzondere uitgaven plausibele redenen bestaan, is de ongelijke behandeling gerechtvaardigd.
De eerste beroepsopleiding behoort naar de opvatting van de wetgever tot de basisvoorwaarden voor de levensvoering, omdat zij voorziet in de persoonlijke bestaanszekerheid en dient tot het verwerven van een zelfstandige en zekere positie in het leven. Daarom worden deze kosten hoofdzakelijk toegerekend aan de kosten van levensvoering. Deze afweging van de wetgever is niet aanvechtbaar. De eerste opleiding respectievelijk de eerste studie onmiddellijk na het schoolverlaten brengt niet alleen beroepskennis bij, maar vormt de persoon in een omvattender zin, omdat zij mogelijkheden biedt met betrekking tot aanleg en vaardigheden die niet noodzakelijkerwijs nodig zijn voor een toekomstig beroep.
De kwalificatie van de daarvoor noodzakelijke uitgaven als veroorzaakt door de algemene private levensvoering correspondeert ermee dat een eerste opleiding nog onder de onderhoudsplicht van de ouders valt. Dezen zijn – binnen hun mogelijkheden – een beroepsopleiding verschuldigd die het best aansluit bij de aanleg en de vaardigheden, de prestatiebereidheid en de in aanmerking komende neigingen van het kind.
Ook eerste opleidingen die, zoals de pilotenopleiding, een concrete causale samenhang vertonen met een later uitgeoefend beroep, scheppen voor het eerst de voorwaarden voor een zelfbepaalde levensvoering en brengen competenties bij die in het algemeen de levensvoering van de opgeleide beïnvloeden. Er is dus sprake van een mede-private veroorzaking en daarom mag de wetgever uitgaan van gemengd veroorzaakte uitgaven, waarbij private en beroepsmatige veroorzakingselementen onlosmakelijk verbonden zijn, en daarom geschiedt de toerekening systematisch aan de bijzondere uitgaven.
Dat de aftrek als bijzondere uitgaven voor kosten van een eerste opleiding momenteel beperkt is tot 6.000 EUR, is evenmin in strijd met het gebod van belastingvrijdom van het bestaansminimum.
Veelgestelde vragen
Veelgestelde vragen
Zijn de kosten voor de eerste beroepsopleiding aftrekbaar als Werbungskosten (beroepskosten)?
Nee. Uitgaven voor een eerste beroepsopleiding of een eerste studie die tevens een eerste opleiding vormt, zijn niet aftrekbaar als Werbungskosten. Zij kunnen uitsluitend als Sonderausgaben (bijzondere uitgaven) tot een maximumbedrag van momenteel 6.000 EUR per jaar in aanmerking worden genomen.
Wanneer zijn opleidingskosten aftrekbaar als Werbungskosten (verwervingskosten)?
Aftrek als Werbungskosten is mogelijk voor uitgaven voor een tweede of verdere opleiding, alsook voor een eerste opleiding die in het kader van een dienstbetrekking plaatsvindt. Voorwaarde is een voldoende concreet, objectief vaststelbaar oorzakelijk verband met latere inkomsten. Actuele inkomsten hoeven daarbij nog niet te worden gerealiseerd.
Is het aftrekverbod voor kosten van een eerste opleiding grondwettelijk?
Ja. Het Bundesverfassungsgericht heeft bij beschikking van 10.01.2020 geoordeeld dat de regeling verenigbaar is met de Duitse grondwet. Weliswaar is er sprake van een ongelijke behandeling ten opzichte van vervolgopleidingen, maar deze wordt gerechtvaardigd door zakelijke redenen.
Waarom rekent de wetgever kosten van een eerste beroepsopleiding tot de buitengewone uitgaven (Sonderausgaben)?
De eerste beroepsopleiding geldt als basisvoorwaarde voor de levenswandel en als voorziening voor het persoonlijke bestaan. Zij brengt niet alleen vakkennis bij, maar vormt de persoon in brede zin en valt doorgaans nog onder de onderhoudsplicht van de ouders. Daarom wordt zij aangemerkt als gemengd (privé en beroepsmatig) veroorzaakt.
Hoe hoog is de aftrek als bijzondere uitgave voor kosten van een eerste opleiding?
Het maximumbedrag voor de aftrek als bijzondere uitgave bedraagt momenteel 6.000 EUR per jaar. Volgens het Bundesverfassungsgericht is deze begrenzing niet in strijd met het beginsel van belastingvrijstelling van het bestaansminimum. Niet-benutte bedragen kunnen niet worden overgedragen naar latere jaren.
