Geschil: vervreemding van het mede-eigendom na de scheiding
De inmiddels gescheiden echtgenoten verwierven in 2008 ieder voor de helft een eengezinswoning. Deze bewoonden zij samen met hun zoon tot het vertrek van de eiser in 2015. In het kader van de echtscheiding van beide echtgenoten verkocht de eiser zijn aandeel in het mede-eigendom in 2017 aan zijn gescheiden echtgenote en behaalde daarbij een vervreemdingswinst. Anders dan de eiser van mening was, onderwierp het bevoegde Finanzamt de vervreemdingswinst in het kader van de inkomstenbelastingaangifte aan de overige inkomsten op grond van § 22 Nr. 2 S. 1 EStG juncto § 23 EStG. De eiser stelde daarentegen dat hij het onroerend goed voor eigen woondoeleinden had gebruikt en daarmee op grond van § 23 Abs. 1 S. 1 Nr. 1 S. 3 EStG van belastingheffing is vrijgesteld.
Arrest van het BFH (uitspraak van 14 februari 2023, IX R 11/21): geen voor eigen bewoning gebruikt onroerend goed
De BFH bevestigt het standpunt van het Finanzamt; er is dus geen sprake van eigen gebruik van de eengezinswoning door de eiser en de vervreemdingswinst is daarmee belastbaar. De BFH wees er verder op dat de vervreemdingshandeling in beginsel belastbaar is op grond van § 23 Abs. 1 S. 1 Nr. 1 EStG, aangezien de periode tussen verwerving (2008) en vervreemding (2017) van het aandeel in het mede-eigendom minder dan 10 jaar bedraagt. Het door de eiser aangevoerde gebruik voor eigen woondoeleinden voorziet in een belastingvrijstelling voor vervreemdingswinsten uit de verkoop van onroerend goed binnen de 10-jaarstermijn, mits deze tussen verwerving/oplevering en vervreemding uitsluitend voor eigen woondoeleinden zijn gebruikt of in het jaar van vervreemding en de twee voorafgaande kalenderjaren uitsluitend voor eigen woondoeleinden zijn gebruikt. Aangezien de eiser reeds sinds 2015, dus 2 jaar vóór de verkoop van zijn mede-eigendom, niet meer in de woning van de gescheiden echtgenote woont, is een gebruik voor eigen woondoeleinden door hemzelf uitgesloten. De belastingplichtige kan echter ook in aanmerking komen voor de belastingvrijstelling wegens gebruik voor eigen woondoeleinden indien hij de woning ter nakoming van zijn onderhoudsplicht aan zijn kind ter beschikking stelt. Deze tegemoetkoming vervalt in dit geschil echter, omdat de woning naast het kind ook door de gescheiden echtgenote (vreemde derde) wordt bewoond.
Fiscale aandachtspunten: vervreemdingshandeling in het kader van de echtscheiding
In het kader van een echtscheiding dient de vervreemding van een onroerend goed, van het aandeel in een gezamenlijk onroerend goed enzovoort vanuit fiscaal oogpunt dus zorgvuldig te worden gepland. Vindt de vervreemding zoals in het beschreven geschil slechts kort voor afloop van de 10-jaarstermijn plaats, dan zou een uitstel van de vervreemdingshandeling tot na de 10-jaarstermijn ter vermijding van belastingheffing zeker lonend zijn. Daarnaast kan binnen de 10-jaarstermijn een belastingvrije vervreemdingshandeling worden bereikt wanneer de verkoop direct vóór of bij het vertrek van de betreffende echtgenoot plaatsvindt. In dat geval zou de vertrekkende echtgenoot het gezamenlijke onroerend goed tot het moment van vervreemding immers voor eigen woondoeleinden gebruiken. Mocht samenleven echter niet meer mogelijk zijn, dan kan binnen de 10-jaarstermijn ook een belastingvrije vervreemdingshandeling worden bewerkstelligd doordat deze nog tijdens het huwelijk plaatsvindt. De belastingplichtige zou de voormalige gezamenlijke woning dan weliswaar niet meer rechtstreeks voor eigen woondoeleinden gebruiken, maar doordat hij voldoet aan de onderhoudsplicht jegens het kind, is sprake van een indirect gebruik voor eigen woondoeleinden en zou de belastingvrijstelling op grond van § 23 Abs. 1 S. 1 Nr. 1 S. 3 EStG van toepassing zijn. De echtgenote zou in dat geval geen belemmering voor de belastingvrijstelling vormen, aangezien een scheiding nog niet heeft plaatsgevonden en zij daarmee niet als vreemde derde dient te worden beschouwd.
Veelgestelde vragen
Veelgestelde vragen
Is de verkoop van een mede-eigendomsaandeel aan de ex-partner belastbaar?
Ja, wanneer er tussen aankoop en verkoop minder dan 10 jaar ligt, is de winst als privé-vervreemdingstransactie volgens § 23 Abs. 1 S. 1 Nr. 1 EStG belastbaar. De BFH heeft dit met arrest van 14-02-2023 (IX R 11/21) voor een echtscheidingszaak bevestigd. Een belastingvrijstelling is alleen mogelijk wanneer is voldaan aan de voorwaarden van gebruik voor eigen bewoning.
Wanneer is sprake van gebruik voor eigen bewoning volgens § 23 EStG?
Een begunstigd eigen gebruik ligt voor wanneer de onroerende zaak tussen aankoop en verkoop uitsluitend voor eigen bewoning is gebruikt, of ten minste in het jaar van verkoop en in de twee voorafgaande kalenderjaren. Een verkoop na verhuizing voldoet doorgaans niet aan deze voorwaarde. Daarmee vervalt de belastingvrijstelling binnen de tienjaarstermijn.
Geldt het ter beschikking stellen aan het eigen kind als eigen gebruik in de zin van § 23 EStG?
Het kosteloos ter beschikking stellen van een woning aan een onderhoudsgerechtigd kind kan worden aangemerkt als indirect gebruik voor eigen bewoning en kan de belastingvrijstelling activeren. Voorwaarde is dat de woning uitsluitend aan het kind ter beschikking wordt gesteld. Woont daarnaast nog een andere persoon in de woning, zoals de ex-echtgenoot, dan vervalt de vrijstelling, omdat deze persoon als vreemde derde geldt.
Hoe kan bij echtscheiding belastingheffing bij verkoop van onroerend goed worden vermeden?
Fiscaal voordelig is een verkoop na afloop van de tienjarige speculatietermijn. Binnen deze termijn kan een belastingvrije verkoop plaatsvinden, mits deze onmiddellijk vóór of bij het vertrek van een echtgenoot uit de woning gebeurt, of nog tijdens het intacte huwelijk wordt voltrokken. In het laatste geval is medegebruik door de echtgenoot niet schadelijk, omdat deze nog niet als vreemde derde wordt beschouwd.
Waarom was in de BFH-zaak IX R 11/21 de belastingvrijstelling uitgesloten?
De eiser was al twee jaar vóór de verkoop uit de gezamenlijke woning vertrokken, waardoor er geen eigen bewoning meer was. Een indirecte eigen bewoning via de onderhoudsplicht jegens het kind faalde, omdat ook de ex-echtgenote nog in het pand woonde. Daardoor was de verkoopwinst binnen de 10-jaarstermijn volledig belastbaar.