Geschil
De eisers zijn erfgenamen van de in 2016 overleden erflater. Deze was eigenaar van een op het moment van overlijden verpacht land- en bosbouwbedrijf (LuF-bedrijf). Na het overlijden van E verklaarden de erfgenamen tijdig per overlijdensdatum de staking van het LuF-bedrijf overeenkomstig § 16 Abs. 3b S. 3 EStG. Daarbij werd een fiscale stakingswinst in de zin van § 16 Abs. 3 EStG in samenhang met § 14 S. 2 EStG gerealiseerd. De op de stakingswinst drukkende inkomstenbelastingen (Einkommensteuer, solidariteitstoeslag en kerkbelasting) brachten de erfgenamen als nalatenschapsschuld in mindering in het kader van de aangiften erfbelasting (§ 10 Abs. 5 Nr. 1 ErbStG). Deze aftrek werd zowel door het bevoegde Finanzamt als door het daaropvolgende Finanzgericht nietig verklaard.
Geen aftrek als nalatenschapsschuld
De BFH stemt in zijn arrest (arrest van 10 mei 2023, II R 3/21) in met het bevoegde Finanzamt en met de uitspraak van het Finanzgericht. Als motivering wordt aangevoerd dat weliswaar in beginsel de mogelijkheid bestaat om belastingschulden verrijkingsverlagend in de aangifte erfbelasting in aanmerking te nemen, maar dat doorslaggevend is dat de erflater deze fiscaal relevante feiten zelfstandig heeft verwezenlijkt. In het onderhavige geschil hebben de erfgenamen de staking van het LuF-bedrijf per overlijdensdatum echter pas achteraf aangevraagd. Het fiscaal relevante feit, in dit geval een bedrijfsstaking, is dus niet door de erflater verwezenlijkt, maar door de erfgenamen. Daarom kunnen de op de stakingswinst drukkende inkomstenbelastingen niet als nalatenschapsschuld in de zin van § 10 Abs. 5 Nr. 1 ErbStG worden afgetrokken.
Aanwijzing: Aftrek van inkomstenbelasting als nalatenschapsschuld
Er zij echter op gewezen dat in de toekomst opkomende inkomstenbelastingen en nog niet betaalde inkomstenbelastingen op de inkomsten van de erflater E door de erfgenamen wel degelijk als nalatenschapsschuld mogen worden afgetrokken. Voorbeelden hiervan zijn voorlopige aanslagen inkomstenbelasting of naheffingen inkomstenbelasting die voortvloeien uit huur- en pachtinkomsten tijdens het leven van de erflater enzovoort. De in de genoemde gevallen te betalen inkomstenbelastingen hebben immers hun oorsprong in fiscaal relevante feiten die door de erflater zelf zijn verwezenlijkt.
Veelgestelde vragen
Veelgestelde vragen
Zijn inkomstenbelastingen uit terugwerkende bedrijfsbeëindiging door erfgenamen aftrekbaar als nalatenschapsschuld?
Nee. Volgens het arrest van het BFH van 10 mei 2023 (II R 3/21) kunnen inkomstenbelastingen op een stakingswinst, die ontstaat door een door de erfgenamen verklaarde bedrijfsbeëindiging op grond van § 16 Abs. 3b S. 3 EStG, niet worden afgetrokken als nalatenschapsschuld op grond van § 10 Abs. 5 Nr. 1 ErbStG. Doorslaggevend is dat het belastingrelevante feit niet door de erflater, maar door de erfgenamen zelf is gerealiseerd.
Welke voorwaarde geldt voor de aftrek van belastingschulden als nalatenschapsschuld op grond van § 10 Abs. 5 Nr. 1 ErbStG?
Belastingschulden zijn alleen aftrekbaar van de verrijking als de erflater zelf de fiscaal relevante feiten heeft verwezenlijkt. Worden de belastingveroorzakende handelingen pas door de erfgenamen verricht, dan ontbreekt deze band met de erflater en is aftrek uitgesloten.
Welke inkomstenbelastingen mogen erfgenamen nog als nalatenschapsschuld aftrekken?
Aftrekbaar blijven inkomstenbelastingen waarvan de oorzaak ligt in fiscaal relevante feiten van de erflater. Voorbeelden zijn nog openstaande voorlopige aanslagen of nabetalingen inkomstenbelasting, bijvoorbeeld uit huur- en pachtinkomsten die de erflater tijdens zijn leven heeft verworven.
Welke fiscale gevolgen heeft de bedrijfsbeëindigingsverklaring van een verpacht land- en bosbouwbedrijf door de erfgenamen?
Verklaren de erfgenamen op grond van § 16 Abs. 3b S. 3 EStG de bedrijfsbeëindiging met terugwerkende kracht tot de overlijdensdatum, dan ontstaat een fiscale stakingswinst overeenkomstig § 16 Abs. 3 EStG juncto § 14 S. 2 EStG. De daaruit voortvloeiende inkomstenbelasting, solidariteitstoeslag en kerkbelasting komen voor rekening van de erfgenamen, maar verminderen niet de voor de erfbelasting in aanmerking te nemen verrijking.
Waarom geldt de bedrijfsbeëindiging volgens § 16 Abs. 3b EStG niet als handeling van de erflater?
Hoewel de beëindigingsverklaring fiscaal terugwerkt tot het moment van overlijden, berust zij op een wilsbesluit van de erfgenamen na het openvallen van de nalatenschap. De erflater heeft het bedrijf zelf niet beëindigd, maar slechts verpacht, zodat de belastingveroorzakende handeling aan de erfgenamen moet worden toegerekend.