In afwijking van zijn eerdere rechtspraak heeft de BFH beslist dat bepaalde prestaties in sportverenigingen waarvoor een afzonderlijke vergoeding wordt betaald, als btw-plichtig moeten worden behandeld. Een beroep op artikel 132 lid 1 onder m van de btw-richtlijn is na overleg met het Hof van Justitie van de Europese Unie nu uitgesloten.
Prestaties aan leden tegen vergoeding
De rechtspraak van het Bundesfinanzhof (BFH) heeft echter rechtstreeks alleen betrekking op prestaties tegen afzonderlijke vergoeding. Het Hof van Justitie van de Europese Unie en de BFH hebben verdergaand beslist dat, in afwijking van de heersende praktijk, ook de prestaties die sportverenigingen aan hun leden leveren tegen algemene contributies btw-plichtig zijn. Wanneer de uitspraak van de BFH ook in de bestuurspraktijk wordt toegepast, moeten sportverenigingen er rekening mee houden dat de afzonderlijke prestaties btw-plichtig moeten worden afgerekend. Een btw-vrijstelling komt nog steeds alleen in aanmerking voor sportevenementen in de zin van § 4 Nr. 22 b UStG. Een doorlopende algehele vrijstelling van sportverenigingen van de btw-plicht zou alleen mogelijk zijn door een wetsaanpassing in de politiek.
Rechtszaak voor de BFH
In de procedure bij de BFH ging een golfvereniging in beroep tegen de uitspraak van de belastingdienst, die de afzonderlijke vergoeding van de golfvereniging voor bepaalde prestaties als btw-plichtig had aangemerkt. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het recht op gebruik van de golfbaan, het ter beschikking stellen van golfballen, de verkoop van golfclubs enzovoort. De belastingdienst beschouwde de afzonderlijke vergoeding als btw-plichtig, omdat een vrijstelling op grond van § 4 Nr. 22 b UStG werd uitgesloten. Reden hiervoor was dat de belastingdienst twijfelde aan het algemeen nut van de golfvereniging. Voor het algemeen nut van een vereniging is namelijk vereist dat de vermogensbestemming ook na ontbinding van de vereniging blijft bestaan. De vermogensbestemming houdt in dat de wetgever en de contractpartners de zekerheid hebben dat het vermogen van de sportvereniging uitsluitend voor het beoogde doel wordt gebruikt en dat een aanwending voor privédoeleinden is uitgesloten.
Het Finanzgericht (FG) heeft daarentegen ten gunste van de golfvereniging gepleit voor een belastingvrijstelling van de genoemde prestaties. Daarbij beriep het FG zich op de belastingvrijheid van de prestaties op grond van artikel 132 lid 1 onder m van de btw-richtlijn.
Voor de definitieve beslechting van het geschil heeft de BFH overleg gevoerd met het Hof van Justitie van de Europese Unie. Dit had reeds vooraf beslist dat een beroep op de belastingvrijheid op grond van de btw-richtlijn niet meer mogelijk is (HvJ EU, arrest van 10-12-2020, C-488/18). Met name wanneer er geen doelgebondenheid van het vermogen bestaat respectievelijk het algemeen nut van de sportvereniging twijfelachtig is. De BFH heeft zich aangesloten bij de beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Veelgestelde vragen
Veelgestelde vragen
Zijn afzonderlijk vergoede prestaties van sportverenigingen btw-plichtig?
Ja, volgens de gewijzigde rechtspraak van het BFH zijn prestaties van sportverenigingen die tegen een afzonderlijke vergoeding worden geleverd in beginsel btw-plichtig. Voorbeelden zijn het recht op gebruik van de sportaccommodatie, het ter beschikking stellen van sporttoestellen of de verkoop van uitrusting. Een beroep op de vrijstelling op grond van art. 132 lid 1 sub m btw-richtlijn is niet meer mogelijk.
Welke btw-vrijstelling komt voor sportverenigingen in het UStG nog in aanmerking?
Een btw-vrijstelling is voor sportverenigingen alleen nog mogelijk op grond van § 4 Nr. 22 Buchst. b UStG voor sportevenementen. Een verdergaande algemene vrijstelling zou uitsluitend door een wetswijziging kunnen worden bereikt.
Kunnen sportverenigingen zich beroepen op art. 132 lid 1 letter m btw-richtlijn?
Nee, een rechtstreeks beroep op de btw-vrijstelling van art. 132 lid 1 letter m van de btw-richtlijn is volgens het arrest van het HvJ-EU van 10-12-2020 (C-488/18) en de daaropvolgende BFH-uitspraak niet meer mogelijk. Dit geldt met name wanneer het algemeen nut van de vereniging twijfelachtig is of er geen vermogensbestemming is vastgelegd.
Welke rol speelt de bestemmingsbinding van het vermogen voor de algemeen-nutstatus van een sportvereniging?
De bestemmingsbinding van het vermogen is een voorwaarde voor de algemeen-nutstatus en moet ook na ontbinding van de vereniging blijven bestaan. Zij waarborgt dat het verenigingsvermogen uitsluitend voor het statutaire doel wordt gebruikt en niet voor private doeleinden wordt aangewend. Ontbreekt deze binding, dan komt de algemeen-nutstatus in gevaar en vervallen de fiscale tegemoetkomingen.
Zijn ook prestaties die door algemene lidmaatschapsbijdragen worden vergoed btw-plichtig?
Volgens het EuGH en de BFH zijn ook prestaties die een sportvereniging tegen algemene lidmaatschapsbijdragen aan haar leden levert in beginsel btw-plichtig. Of de belastingdienst deze opvatting volledig overneemt, moet echter worden afgewacht. Verenigingen doen er goed aan zich op een dienovereenkomstige wijziging van de praktijk voor te bereiden.