Met uitspraak van 20.03.2014 (Az. VI R 35/12) heeft de Bundesfinanzhof (BFH) beslist dat een rittenregistratie alleen wordt erkend wanneer deze voor de gehele aanslagperiode is bijgehouden. Daarmee heeft de BFH de rechtspraak van het FG Münster (uitspraak van 27.04.2012, Az. 4 K 3589/09 E) bevestigd.

De rittenregistratie Het bijhouden van een rittenregistratie dient in beginsel om voor fiscale doeleinden het privégebruik te bepalen als aandeel in de totale voertuigkosten en in de totale gereden kilometers. In de onderliggende casus stond aan de eiser een voertuig van zijn werkgever ook voor privégebruik ter beschikking. Vanaf 01.05.2008 hield hij hiervoor ook een rittenregistratie bij die aan alle inhoudelijke eisen aan een rittenregistratie voldeed. Het Finanzamt was van mening dat de berekening van het gebruiksvoordeel volgens de 1%-regeling diende plaats te vinden, aangezien de rittenregistratie niet het hele jaar door voor de volledige aanslagperiode werd bijgehouden. De beslissing van de BFH over de rittenregistratie De BFH spreekt zich in zijn uitspraak opnieuw uit over de eisen aan een dergelijke rittenregistratie: deze moet volledig en juist zijn om het te belasten privé-aandeel te kunnen vaststellen. Voorts overweegt de BFH dat de belastingplichtige alleen dan in plaats van de 1%-regeling voor de rittenregistratiemethode kan kiezen, wanneer hij de rittenregistratie voor de gehele aanslagperiode heeft bijgehouden. Dit wordt onder meer onderbouwd met het argument dat een wisseling van methode binnen het jaar in strijd is met de vereenvoudigings- en typeringsgedachte van de wet en een verhoogd manipulatierisico met zich meebrengt. Conclusie Per saldo valt vast te stellen dat het in de bovengenoemde casus al opmerkelijk is dat de belastingplichtige er überhaupt in is geslaagd een rittenregistratie te voeren die aan de inhoudelijke eisen van de rechtspraak voldoet. Naar onze ervaring vormt dit al een vaak onoverkomelijke hindernis. In ieder geval is de belastingplichtige bovendien verplicht om vanaf het begin te beslissen voor welke van beide methoden (1%-regeling of rittenregistratie) hij wil kiezen.
Veelgestelde vragen
Veelgestelde vragen
Moet een rittenregistratie voor het gehele kalenderjaar worden bijgehouden?
Ja. Volgens het BFH-arrest van 20-03-2014 (Az. VI R 35/12) wordt een rittenregistratie fiscaal alleen erkend als deze voor het gehele aanslagtijdvak sluitend wordt bijgehouden. Een pas in de loop van het jaar gestarte rittenregistratie is niet voldoende om de rittenregistratiemethode in plaats van de 1%-regeling toe te passen.
Is een tussentijdse wisseling tussen de 1%-regeling en de rittenadministratie binnen het jaar toegestaan?
Nee. De BFH wijst een tussentijdse wisseling tussen de 1%-regeling en de rittenadministratie af. Als motivering geldt de vereenvoudigings- en typeringsgedachte van de wet, evenals het verhoogde manipulatierisico bij een methodewissel binnen één aanslagperiode.
Welke gevolgen heeft een slechts gedeeltelijk bijgehouden rittenregistratie voor de belastingheffing op de dienstwagen?
Wordt de rittenregistratie niet over het gehele kalenderjaar bijgehouden, dan moet het belastbaar voordeel uit het privégebruik van de bedrijfsauto verplicht volgens de 1%-regeling worden bepaald. De daadwerkelijk vastgelegde ritten blijven dan fiscaal buiten beschouwing.
Aan welke inhoudelijke eisen moet een correct rittenregistratie voldoen?
Een rittenregistratie moet volledig, doorlopend en sluitend worden bijgehouden, zodat het te belasten privégebruik betrouwbaar kan worden vastgesteld. Alle zakelijke en privéritten dienen tijdig en manipulatiebestendig te worden gedocumenteerd met datum, kilometerstand, bestemming, doel en bezochte zakenrelaties.
Wanneer moet de belastingplichtige kiezen tussen de 1%-regeling en het ritregister?
De keuze tussen beide methoden moet vanaf het begin van het aanslagjaar vaststaan. Wie de ritregistermethode wil toepassen, moet het ritregister vanaf 1 januari (of vanaf het begin van het gebruik van het voertuig) ononderbroken tot het einde van het jaar bijhouden.