Het fiscale reiskostenrecht, dat sinds 2014 de aftrek van beroepskosten voor niet aan een vaste locatie werkende werknemers en ambtenaren – zoals surveillance-agenten – beperkt, is grondwettelijk, zoals de BFH met arrest van 4-4-2019 – VI R 27/17 heeft beslist.
Gelijktijdig heeft de BFH vier andere arresten gepubliceerd die de gevolgen van de gewijzigde rechtssituatie voor andere beroepsgroepen – zoals piloten, luchtvaartbeveiligingspersoneel of werknemers met een tijdelijk contract – verduidelijken (BFH, arresten van 10-4-2019 – VI R 6/17, van 11-4-2019 – VI R 36/16, VI R 40/16 en VI R 12/17; alle gepubliceerd op 18-7-2019).
Achtergrond:
Fiscaal gezien zijn beroepsmatig veroorzaakte reiskosten van werknemers in loondienst in beginsel aftrekbaar als beroepskosten ter hoogte van de werkelijke uitgaven. Voor het traject tussen woning en arbeids- of dienstlocatie gelden echter aftrekbeperkingen. Beroepskosten worden hier slechts in aanmerking genomen in het kader van de zogenaamde afstandsforfait van € 0,30 per afstandskilometer. Het sinds 2014 geldende nieuwe reiskostenrecht definieert de arbeids- of dienstlocatie als "eerste werkplek" (voorheen: "reguliere arbeidsplaats").
Naar nieuw recht wordt de eerste werkplek bepaald aan de hand van de arbeidsrechtelijke of dienstrechtelijke toewijzing door de werkgever (§ 9 Abs. 4 EStG). Voorheen was daarentegen het kwalitatieve zwaartepunt van de werkzaamheden van de werknemer doorslaggevend.
Deze wijziging is van belang voor de bepaling van de toepassingssfeer van het afstandsforfait (§ 9 Abs. 1 Satz 3 Nr. 4 Sätze 1 en 2 EStG) en van de verblijfsforfaits (§ 9 Abs. 4a Satz 1 EStG).
Hierover overwegen de rechters van de BFH verder:
De zaak VI R 27/17 betrof een politieagent die dagelijks eerst zijn dienstpost bezocht en van daaruit zijn surveillance- en patrouilledienst aanving. De werkzaamheden op de dienstpost beperkten zich in hoofdzaak tot de voor- en nabereiding van de surveillance- en patrouilledienst. In zijn aangifte inkomstenbelasting voor 2015 voerde hij reiskosten van zijn woning naar de politiepost en extra verblijfskosten op overeenkomstig de tot dan toe geldende hoogste jurisprudentie volgens de beginselen voor dienstreizen. Hij ging ervan uit dat er geen eerste werkplek bestond, omdat hij overwegend buiten de politiepost in de buitendienst werkzaam was.
De Belastingdienst (FA) hield slechts rekening met reiskosten ter hoogte van het afstandsforfait. Extra verblijfskosten werden niet erkend. Het Finanzgericht (FG) wees de vordering af (zie hierover ons online-bericht van 12-5-2017). De BFH heeft de voorinstantie bevestigd.
Naar nieuw recht is doorslaggevend of de werknemer of ambtenaar door arbeids- of dienstrechtelijke vaststellingen alsook door uitwerkende afspraken en instructies van de werkgever (dienstheer) duurzaam aan een eerste werkplek is toegewezen. Is dit het geval, dan is het kwalitatieve zwaartepunt van de werkzaamheden van de werknemer, anders dan in de tot 2013 geldende rechtssituatie, niet relevant. Voldoende is dat de werknemer (ambtenaar) op de plaats van de eerste werkplek ten minste in geringe omvang werkzaamheden moet verrichten. Volgens de vaststellingen van het FG was dit bij de surveillance-agent het geval met betrekking tot administratieve werkzaamheden en dienstaanvangsbesprekingen.
De BFH ziet geen grondwettelijke bezwaren tegen de nieuwe regeling. De wetgever heeft zijn regelgevingsbevoegdheid niet overschreden, omdat werknemers zich op verschillende manieren op de steeds gelijke trajecten kunnen instellen en zo aan een vermindering van de reiskosten kunnen werken.
De zaak VI R 40/16 betrof een pilote. Ook zij voerde de reiskosten tussen woning en luchthaven alsook extra verblijfskosten overeenkomstig de tot dan toe geldende hoogste jurisprudentie volgens de beginselen voor dienstreizen tevergeefs aan tegenover FA en FG (zie hierover ons online-bericht van 19-12-2016).
De BFH heeft ook in dit geval het FG-arrest bevestigd.
Vliegend personeel – zoals piloten of cabinepersoneel – dat door zijn werkgever arbeidsrechtelijk duurzaam aan een luchthaven is toegewezen en op het luchthaventerrein ten minste in geringe omvang arbeidscontractueel verschuldigde werkzaamheden verricht, heeft volgens het arrest van de BFH daar zijn eerste werkplek.
Omdat de pilote in de op het luchthaventerrein gelegen ruimten van de luchtvaartmaatschappij in zekere mate ook werkzaamheden in verband met de vluchtvoor- en vluchtnabereiding moest verrichten, beschikte zij daar over een eerste werkplek. Het was dus niet relevant dat zij overwegend in het internationale luchtverkeer werkzaam was.
De BFH wijst er bovendien op dat ook een groot en navenant infrastructureel ontsloten gebied (bijv. fabrieksterrein, bedrijfsterrein, station of luchthaven) als (grootschalige) eerste werkplek in aanmerking komt. Eveneens heeft de BFH in de zaak VI R 12/17 de toepassing van de beginselen voor dienstreizen bij de reiskosten van een luchtvaartbeveiligingsmedewerker afgewezen, die op het gehele luchthaventerrein werd ingezet.
Met twee verdere arresten (VI R 36/16 en VI R 6/17, zie hierover ons online-bericht van 13-12-2016 alsook van 18-1-2017) heeft de BFH bij arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd geoordeeld dat sprake is van een eerste werkplek wanneer de werknemer voor de duur van de tijdelijke dienst- of arbeidsbetrekking aan een vaste bedrijfsinrichting werkzaam moet zijn.
Vindt tijdens de bepaalde tijd een toewijzing aan een andere werkplek plaats, dan vormt deze laatste geen eerste werkplek meer, waardoor vanaf dat moment opnieuw de beginselen voor dienstreizen van toepassing zijn. Daarmee was de eiser in de zaak VI R 6/17 succesvol. De BFH bevestigde hier de toewijzing van de vordering door het FA, zodat de eiser reiskosten in het kader van een buitendienstactiviteit ten bedrage van € 0,30 per gereden kilometer toekomen.
In de zaak VI R 36/16 vond een terugverwijzing naar het FG plaats, opdat wordt onderzocht of überhaupt sprake is van vaste inrichtingen.
Bron: BFH, persbericht van 18-7-2019 over de arresten van 4-4-2019 – VI R 27/17 (politieambtenaar), van 10-4-2019 – VI R 6/17 (uitzendkracht) alsook van 11-4-2019 – VI R 36/16 (havenarbeider), VI R 40/16 (pilote) en VI R 12/17 (luchtvaartbeveiligingsmedewerker); NWB-databank
Veelgestelde vragen
Veelgestelde vragen
Hoe wordt sinds 2014 de eerste arbeidsplaats (erste Tätigkeitsstätte) bepaald?
Bepalend is sinds 2014 de toewijzing van de werknemer door de werkgever op basis van de arbeidsovereenkomst of dienstrechtelijke regeling (§ 9 Abs. 4 EStG). Op het kwalitatieve zwaartepunt van de werkzaamheden komt het – anders dan onder het oude recht tot 2013 – niet meer aan. Het volstaat dat de werknemer op de plaats van toewijzing in ten minste geringe mate arbeidscontractueel verschuldigde werkzaamheden verricht.
Welke fiscale gevolgen heeft de kwalificatie als eerste werkplek?
Voor ritten tussen woning en eerste werkplek zijn de reiskosten alleen aftrekbaar binnen de forfaitaire kilometervergoeding van € 0,30 per enkele kilometer. Extra verblijfkosten kunnen in dat geval niet worden opgevoerd. Is er daarentegen geen eerste werkplek, dan gelden de regels voor dienstreizen met € 0,30 per gereden kilometer en forfaitaire verblijfkostenvergoedingen.
Heeft een surveillerende politieagent op zijn standplaats een eerste werkplek?
Ja. De BFH heeft bij arrest van 4-4-2019 (VI R 27/17) beslist dat een surveillerende politieagent op het hem dienstrechtelijk toegewezen politiebureau zijn eerste werkplek heeft. Het volstaat dat hij daar administratief werk en dienstaanvangsbesprekingen verricht; het zwaartepunt op de buitendienst is niet van belang.
Waar bevindt zich de eerste werkplek van piloten en cabinepersoneel?
Vliegend personeel dat arbeidsrechtelijk duurzaam aan een luchthaven is toegewezen en daar in beperkte mate contractueel verschuldigde werkzaamheden verricht (bijv. vluchtvoorbereiding en -afhandeling), heeft op die luchthaven zijn eerste werkplek. Dat het personeel overwegend in het internationale luchtverkeer wordt ingezet, is daarbij niet relevant. Ook een groot gebied zoals een luchthaven kan als eerste werkplek gelden.
Geldt bij arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd een eerste werkplek?
Ja, wanneer de werknemer voor de duur van de tijdelijke arbeidsovereenkomst werkzaam zal zijn op een vaste bedrijfslocatie, vormt deze daar de eerste werkplek. Wordt de werknemer tijdens de looptijd aan een andere werkplek toegewezen, dan vervalt de eerste werkplek en gelden vanaf dat moment weer de regels voor dienstreizen.
Is de nieuwe regeling met betrekking tot de eerste werkplek grondwettelijk?
Ja. De BFH heeft de nieuwe regeling van het reiskostenrecht als grondwettelijk bevestigd. De wetgever zou zijn beoordelingsruimte niet hebben overschreden, omdat werknemers zich kunnen instellen op steeds dezelfde routes en daarmee hun reiskosten kunnen beperken.