Kennis

BFH: Verwijzing naar de Grote Senaat over de uitgebreide vastgoedaftrek is van groot belang

BFH-beschikking van 21.07.2016 – IV R 26/14, gepubliceerd op 26.10.2016. De IV. Senat van het Bundesfinanzhof (BFH) heeft de Grote Senaat de volgende rechtsvraag ter verduidelijking voorgelegd: Moet aan een vastgoedbeherende vennootschap die uitsluitend op grond van haar rechtsvorm bedrijfsinkomsten genereert, de zogenoemde "uitgebreide vastgoedaftrek"

2 min leestijdBijgewerkt: 2016-11-03Aanbevolen

BFH-beschikking van 21.07.2016 – IV R 26/14, gepubliceerd op 26.10.2016

De IV. Senat van het Bundesfinanzhof (BFH) heeft de Grote Senaat de volgende rechtsvraag ter verduidelijking voorgelegd:

Moet aan een vastgoedbeherende vennootschap die uitsluitend op grond van haar rechtsvorm bedrijfsinkomsten genereert, de zogenoemde "uitgebreide vastgoedaftrek" volgens § 9 Nr. 1 S. 2 GewStG ook dan niet worden toegekend, wanneer zij deelneemt in een vastgoedbeherende personenvennootschap die niet op grond van haar rechtsvorm als bedrijfsmatig wordt aangemerkt?

Achtergrond:

Bij ondernemingen die uitsluitend eigen onroerend goed beheren, dient de winst in beginsel te worden verminderd met het deel van de bedrijfsopbrengst dat toerekenbaar is aan het beheer en gebruik van het eigen onroerend goed, vgl. § 9 Nr. 1 S. 2 GewStG.

Feiten van de zaak:

De eiseres is een als bedrijfsmatig aangemerkte GmbH & Co. KG, die deelnam in een vermogensbeherende GbR. De GbR was eigenaar van een onroerend goed en maakte gebruik van de uitgebreide vastgoedaftrek in de zin van § 9 Nr. 1 S. 2 e.v.

De Belastingdienst was van mening dat de deelneming in de GbR, dus in een personenvennootschap, niet gelijk te stellen is met eigen onroerend goed en weigerde de uitgebreide vastgoedaftrek.

De rechters van de IV. Senat van het BFH overwogen hierover verder:

Het begrip "eigen onroerend goed" dient fiscaalrechtelijk te worden uitgelegd.

Het eigendom van een vermogensbeherende personenvennootschap wordt fiscaalrechtelijk naar evenredigheid toegerekend aan de achterliggende vennoten. Daarom is een onroerend goed dat civielrechtelijk in eigendom van de personenvennootschap is, niet haar "eigen onroerend goed", maar (naar evenredigheid) onroerend goed van iedere vennoot.

De eerste Senat van het BFH (vgl. BFH van 19.10.2010, I R 67/09) is echter de opvatting toegedaan dat het onroerend goed aan de personenvennootschap moet worden toegerekend wanneer men uitsluitend vanuit het civiele recht redeneert.

Gaat men, zoals een andere Senat van het BFH stelt (laatstelijk: BFH, arrest van 19.10.2010 – I R 67/09), uitsluitend uit van het civiele recht, dan dient het onroerend goed aan de personenvennootschap te worden toegerekend.

Algemene betekenis van de door de Grote Senaat te nemen beslissing:

In beginsel valt het beheer van onroerend goed niet onder de bedrijfsbelasting (Gewerbesteuer). Deze kan namelijk alleen ontstaan wanneer het beheer wordt uitgeoefend door een personen- of kapitaalvennootschap die uitsluitend op grond van haar rechtsvorm aan de Gewerbesteuer is onderworpen.

Voor zover de vennootschap zich echter beperkt tot het beheer van onroerend goed, wordt de daaruit voortvloeiende winst door de uitgebreide aftrek volgens § 9 Nr. 1 Satz 2 GewStG per saldo volledig vrijgesteld van de Gewerbesteuer. Bij grote vermogens kan er behoefte bestaan om onroerend goed onder te brengen in dochtervennootschappen. Het geschil betreft de vraag of dit mogelijk is zonder de vrijstelling van de Gewerbesteuer in gevaar te brengen.

Bron: Persbericht van het BFH van 26.10.2016

Veelgestelde vragen

Veelgestelde vragen

  • Wat is de uitgebreide vastgoedaftrek volgens § 9 Nr. 1 S. 2 GewStG?

    De uitgebreide vastgoedaftrek (erweiterte Grundstückskürzung) is een gunstregeling in de Duitse Gewerbesteuer voor ondernemingen die uitsluitend eigen onroerend goed beheren en gebruiken. De winst die toerekenbaar is aan het beheer en gebruik van het eigen onroerend goed wordt volledig in mindering gebracht, zodat hierop per saldo geen Gewerbesteuer verschuldigd is. De regeling is met name relevant voor zuiver vermogensbeherende kapitaalvennootschappen en commercieel gekwalificeerde personenvennootschappen die enkel op grond van hun rechtsvorm bedrijfsmatige inkomsten genereren.

    Permalink naar de vraag

  • Welke rechtsvraag heeft de IV. Senat van het BFH voorgelegd aan de Große Senat?

    De IV. Senat heeft de vraag voorgelegd of aan een vastgoedbeherende vennootschap, die enkel op grond van haar rechtsvorm als gewerblich wordt aangemerkt, de uitgebreide Grundstückskürzung ook moet worden geweigerd wanneer zij deelneemt in een louter vermogensbeherende, niet gewerblich geprägte personenvennootschap. Met name is omstreden of het via de ondervennootschap gehouden onroerend goed geldt als „eigen onroerend goed“ van de bovenliggende vennootschap.

    Permalink naar de vraag

  • Hoe moet het begrip „eigen onroerend goed“ worden uitgelegd bij deelname in een vermogensbeherende personenvennootschap?

    Volgens de IV. Senat moet dit begrip fiscaalrechtelijk worden uitgelegd. De civielrechtelijke eigendom van een vermogensbeherende personenvennootschap wordt fiscaal naar rato aan de vennoten toegerekend, zodat het onroerend goed naar rato als eigen onroerend goed van de deelnemende vennootschap geldt. De I. Senat van de BFH (uitspraak van 19-10-2010, I R 67/09) hanteert daarentegen een zuiver civielrechtelijke benadering en rekent het onroerend goed uitsluitend toe aan de personenvennootschap.

    Permalink naar de vraag

  • Welke praktische betekenis heeft de beslissing voor vastgoedstructuren?

    Bij grote vastgoedportefeuilles bestaat vaak de wens om afzonderlijke objecten onder te brengen in vermogensbeherende dochtervennootschappen (bijv. een GbR). De beslissing van de Große Senat verduidelijkt of dergelijke structuren de uitgebreide vrijstelling voor onroerend goed (erweiterte Grundstückskürzung) van de moedervennootschap in gevaar brengen. Valt deze negatief uit, dan dreigt volledige Gewerbesteuer-plicht over de vastgoedinkomsten van de holdingstructuur.

    Permalink naar de vraag

  • Welke feiten lagen ten grondslag aan het BFH-besluit van 21-07-2016 (IV R 26/14)?

    Een commercieel gekwalificeerde GmbH & Co. KG had een belang in een puur vermogensbeherende GbR, die een onroerend goed bezat. De KG claimde de uitgebreide grondbezitsaftrek (erweiterte Grundstückskürzung) op grond van § 9 Nr. 1 S. 2 GewStG. De Belastingdienst weigerde de aftrek met als motivering dat een belang in een personenvennootschap niet gelijkgesteld kan worden met eigen grondbezit.

    Permalink naar de vraag

Terug naar overzicht