Kennis

BFH-arrest: Kinderbijslag – afbakening tussen eerste opleiding en duale tweede opleiding

Hoe de toekenning van kinderbijslag na afronding van een eerste studie en aanvang van een duale tweede studie moet worden beoordeeld, wordt hierna toegelicht aan de hand van het geschil voor de BFH. Geschil: belastingambtenaar met aansluitende rechtenstudie

3 min leestijdBijgewerkt: 2023-06-20Aanbevolen

Hoe de toekenning van kinderbijslag na afronding van een eerste studie en aanvang van een duale tweede studie moet worden beoordeeld, wordt hierna toegelicht aan de hand van het geschil voor de BFH.

Geschil: belastingambtenaar met aansluitende rechtenstudie

Eiseres is moeder van een in 1999 geboren dochter, die in augustus 2020 met succes haar duale studie tot Diplom-Finanzwirtin afrondde. Aansluitend trad de dochter in dienst bij de belastingdienst, eerst voltijds (40 uur per week) en vanaf december 2020 in deeltijd (28 uur per week). Tegelijkertijd begon zij in oktober 2020 met een studie rechtsgeleerdheid. De Familienkasse weigerde verdere kinderbijslag vanaf de afronding van de duale studie in augustus 2020. Reden hiervoor was enerzijds dat de dochter met het diploma Diplom-Finanzwirtin een volwaardig opleidingstraject had afgerond, en anderzijds dat zij vervolgens een arbeidsactiviteit uitoefende boven de wettelijke grens van 20 uur per week conform § 32 Abs. 4 S. 2 EStG. § 32 Abs. 4 S. 2 f. EStG bepaalt namelijk dat een kind na afronding van een eerste beroepsopleiding of -studie alleen in aanmerking wordt genomen wanneer het geen arbeidsactiviteit uitoefent. Een arbeidsactiviteit van maximaal 20 uur reguliere wekelijkse arbeidstijd, een opleidingsdienstverband of een gering dienstverband in de zin van §§ 8 en 8a van het Vierde Boek Sozialgesetzbuch zijn onschadelijk. Het Finanzgericht (FG) wees de daaropvolgende klacht van de moeder tegen het besluit van de Familienkasse af, waarna eiseres beroep in revisie instelde tegen deze uitspraak.

BFH – arrest (uitspraak van 7 april 2022, III R 22/21): kinderbijslag bij duale tweede opleiding

De BFH stemde in met de principiële beslissing van het FG dat in dit geval geen kinderbijslag verschuldigd is. Bij zijn oordeel benadrukte de BFH eerst dat twee opleidingstrajecten in beginsel tot één eerste opleiding kunnen worden samengevoegd, mits aan meerdere voorwaarden is voldaan. Een eenheidsmatige eerste opleiding veronderstelt allereerst een nauw temporeel en inhoudelijk verband tussen beide beroepsopleidingen. Het FG had naar het oordeel van de BFH terecht geoordeeld dat een dergelijk verband in dit geval bestaat. De studie rechtsgeleerdheid werd immers slechts korte tijd na afronding van de duale studie aangevangen en vertoont inhoudelijke verwantschap met het voorgaande opleidingstraject. Verder is voor een samenhangende eerste opleiding van belang of de beroepsuitoefening ondergeschikt blijft aan de beroepsopleiding. Daarvoor werd eerst de tijdsverhouding tussen de beroepsopleiding en de arbeidsactiviteit getoetst. Hierover kon geen sluitende uitspraak worden gedaan, waardoor dit criterium als neutraal moet worden aangemerkt. Daarnaast is van belang of het kind met de na het eerste opleidingstraject opgenomen beroepsactiviteit reeds gebruikmaakt van de verworven kwalificaties. Dit criterium is in dit geval vervuld, met name omdat de dochter langdurig aan de belastingdienst was verbonden. Bij vroegtijdige beëindiging van deze functie dient de afgestudeerde namelijk haar evenredige collegegeld terug te betalen. Dit pleit dus voor een op de voorgrond staande beroepsuitoefening. In een totaalafweging oordeelde de BFH daarom dat de beroepsuitoefening prevaleert boven de beroepsopleiding. Bovendien lag de omvang van de uitgeoefende arbeidsactiviteit boven de wettelijke grens van 20 uur per week conform § 32 Abs. 4 S. 2 EStG.

Veelgestelde vragen

Veelgestelde vragen

  • Wanneer geldt een tweede opleiding voor de kinderbijslag nog als onderdeel van de eerste opleiding?

    Twee opleidingsfasen kunnen tot één eerste opleiding worden samengevoegd wanneer er een nauw verband in tijd en inhoud bestaat en de beroepsuitoefening ondergeschikt is aan de beroepsopleiding. Doorslaggevend is een totaalbeoordeling, waarbij onder meer de omvang van de werkzaamheden en het gebruik van de reeds verworven kwalificaties worden getoetst. Staat de beroepsuitoefening op de voorgrond, dan is sprake van een tweede opleiding.

    Permalink naar de vraag

  • Welke beroepswerkzaamheid is na afronding van de eerste opleiding onschadelijk voor de Kindergeld?

    Volgens § 32 Abs. 4 S. 2 f. EStG wordt een kind na afgeronde eerste opleiding alleen in aanmerking genomen als het geen schadelijke beroepswerkzaamheid uitoefent. Onschadelijk zijn een regelmatige wekelijkse arbeidstijd van maximaal 20 uur, een opleidingsdienstverband of een gering dienstverband volgens §§ 8, 8a SGB IV. Wordt de 20-uursgrens overschreden, dan vervalt het recht op Kindergeld.

    Permalink naar de vraag

  • Waarom oordeelde de BFH in de zaak van de Diplom-Finanzwirtin tegen een aanspraak op Kindergeld?

    De BFH (uitspraak van 07-04-2022, III R 22/21) zag in de daaropvolgende rechtenstudie geen voortzetting van een eenduidige eerste opleiding, maar een tweede opleiding naast het werk. Weliswaar bestond er een nauw temporeel en inhoudelijk verband, maar de beroepsuitoefening binnen de belastingdienst kwam op de voorgrond te staan, met name vanwege de langdurige binding aan de werkgever. Bovendien overschreed de arbeidsactiviteit de grens van 20 uur volgens § 32 Abs. 4 S. 2 EStG.

    Permalink naar de vraag

  • Welke rol speelt een langdurige binding aan de werkgever bij de afbakening tussen eerste en tweede opleiding?

    Een langdurige binding aan de werkgever, bijvoorbeeld door terugbetalingsverplichtingen bij voortijdige beëindiging van het dienstverband, is een aanwijzing dat de beroepsuitoefening op de voorgrond staat. Daarmee wordt de in het eerste opleidingsdeel verworven kwalificatie reeds duurzaam benut. Dit pleit tegen een eenduidige eerste opleiding en daarmee tegen de aanspraak op Kindergeld.

    Permalink naar de vraag

  • Welke criteria toetsen de Familienkasse en de rechter bij de verhouding tussen opleiding en beroepswerkzaamheid?

    Getoetst wordt vooral de verhouding qua tijdsbesteding tussen opleiding en werk, alsmede de vraag of het kind met de beroepswerkzaamheid de in het eerste opleidingsdeel verworven kwalificaties al benut. Ook de contractuele binding aan de werkgever wordt meegewogen. Blijft het tijdscriterium neutraal, dan kunnen de overige indicaties bepalend zijn voor de vraag of de beroepswerkzaamheid de opleiding overstijgt.

    Permalink naar de vraag

Terug naar overzicht