Kennis

Opheldering bij twijfelvragen over de belastingvrijstelling van fotovoltaïsche installaties

Inkomstenbelastingvoordeel Door de Jahressteuergesetz 2022 (Duitse jaarbelastingwet 2022) zijn de inkomsten en onttrekkingen in verband met fotovoltaïsche installaties (PV-installaties) onder bepaalde voorwaarden vrijgesteld van belasting. De vrijstelling geldt enerzijds voor installaties tot een

5 min leestijdBijgewerkt: 2023-12-05

Inkomstenbelastingvoordeel

Door de Jahressteuergesetz 2022 (Duitse jaarbelastingwet 2022) zijn de inkomsten en onttrekkingen in verband met fotovoltaïsche installaties (PV-installaties) onder bepaalde voorwaarden vrijgesteld van belasting. De vrijstelling geldt enerzijds voor installaties tot een bruto nominaal vermogen van 30 kilowattpiek (kWp) bij eengezinswoningen en bedrijfspanden en anderzijds tot 15 kWp per woon- en bedrijfseenheid bij meergezinswoningen en gebouwen met gemengd gebruik.

In totaal is per belastingplichtige of medeondernemerschap (dus personenvennootschap GbR, KG) tot 100 kWp belastingvrij. De berekening van de capaciteit van de installatie is hierbij gebaseerd op de gegevens die in het Marktstammdatenregister zijn opgenomen.

De belastingvrijstelling geldt ongeacht het gebruik van de opgewekte stroom (ook eigen gebruik of verkoop, bijvoorbeeld aan huurders). De regeling is met terugwerkende kracht ingevoerd voor inkomsten en onttrekkingen die na 31-12-2021 zijn behaald of verricht. Echter konden zowel de wettekst als de toelichting veel twijfelvragen over de nieuwe regeling niet beantwoorden of riepen deze juist op. Door een nieuwe brief van het Bundesfinanzministerium (BMF) van juli 2023 zijn nu echter veel vragen beantwoord.

Gebouwgebonden vrijstellingsgrens: 30 kWp resp. 15 kWp

Het BMF stelt duidelijk dat de bovengrenzen voor de installatiecapaciteit van 30 kWp resp. 15 kWp moeten worden begrepen als vrijstellingsgrenzen. Worden deze capaciteiten door een exploitant bij een onroerend goed dus overschreden, dan zijn de gehele inkomsten en onttrekkingen belastingplichtig (zogenaamd valbijleffect). Bovendien moet de PV-installatie verband houden met een gebouw. Daarmee zijn vrijeveldinstallaties, ongeacht hun omvang, niet begunstigd.

Voorbeeld 1

Een belastingplichtige heeft op zijn eengezinswoning een installatie met een relevant vermogen van 34 kWp geïnstalleerd.

Resultaat: De installatie is in haar geheel niet begunstigd, omdat de vrijstellingsgrens van 30 kWp wordt overschreden.

Voorbeeld 2

Zowel de echtgenote als de echtgenoot exploiteren op hun voor eigen bewoning gebruikte eengezinswoning ieder een installatie met een relevant vermogen van 16 kWp.

Resultaat: Beide installaties zijn begunstigd. Hoewel de capaciteit in totaal met 32 kWp de toegestane 30 kWp overschrijdt, zijn aan de afzonderlijke belastingplichtige telkens slechts 16 kWp toe te rekenen.

Voorbeeld 3

Een belastingplichtige heeft op een tweegezinswoning een installatie met een relevant vermogen van 25 kWp en daarnaast op een bedrijfspand met drie bedrijfseenheden een installatie met een relevant vermogen van 45 kWp geïnstalleerd.

Resultaat: Beide installaties zijn begunstigd. Op de tweegezinswoning zijn in totaal 30 kWp (15 kWp per woon­eenheid) mogelijk. Bij het bedrijfspand is dat 15 kWp per bedrijfseenheid. Met driemaal 15 kWp is de capaciteit daar dus benut.

Aanwijzing

In het kader van de wetgevingsprocedure van de Wachstumschancengesetz (Duitse groeikansenwet) heeft de Bundesrat een toetsingsverzoek geuit. Het voornemen van de vertegenwoordiging van de deelstaten is om de genoemde vrijstellingsgrenzen alsnog als belastingvrije voet vorm te geven, zodat het valbijleffect zou worden vermeden. Het betreft hierbij wel te verstaan een suggestie die eerst opnieuw een wetswijzigingsproces op gang zou moeten brengen.

Persoonsgebonden vrijstellingsgrens van 100 kWp

Ook bij de persoonsgebonden vrijstellingsgrens geldt momenteel: Is de maximale capaciteit van 100 kWh per persoon of personenvennootschap overschreden, dan zijn alle installaties belastingplichtig. Hierbij moeten echter alleen de installaties in de toets worden meegenomen die in beginsel überhaupt begunstigd zouden zijn.

Exploiteert een belastingplichtige een belastingvrije installatie en is hij daarnaast deelnemer in een personenvennootschap die eveneens begunstigde installaties exploiteert, dan moet de deelneming in het medeondernemerschap niet in de bepaling van de 100-kWp-grens worden meegenomen. In zoverre worden belastingplichtige en medeondernemerschap dus afzonderlijk beschouwd.

Voorbeeld

Een belastingbetaler exploiteert twee installaties met een relevant vermogen van elk 30 kWp op telkens een eengezinswoning en een vrijeveld-PV-installatie met een relevant vermogen van 50 kWp.

Resultaat: De vrijeveld-PV-installatie wordt in het geheel niet in de toets van de 100-kWp-grens meegenomen, omdat deze al in beginsel niet begunstigd kan zijn. Aangezien de beide installaties op de eengezinswoningen samen de 100-kWp-grens niet overschrijden, zijn deze beide begunstigd.

Aanwijzing

Aangezien personenvennootschappen elk een eigen 100-kWp-vrijstellingsgrens hebben, opent dit zekere structureringsmogelijkheden en ook mogelijke verdienmodellen. Economisch gezien zou een vermenigvuldiging van de 100-kWp-vrijstellingsgrens denkbaar zijn, bijvoorbeeld via GmbH & Co. KG's met een voor 0% deelnemende GmbH als beherend vennoot.

Is ook de vervreemding van de PV-installatie begunstigd?

Deze vraag was tot het verschijnen van de BMF-brief onduidelijk. Naar de opvatting van het BMF is de winst of het verlies uit de vervreemding of onttrekking van een PV-installatie uit het vermogen van een onderneming die uitsluitend belastingvrije inkomsten en onttrekkingen daaruit behaalt, belastingvrij. Iets anders geldt echter wanneer een PV-installatie zich in het bedrijfsvermogen bevindt van een onderneming waarvan het doel niet uitsluitend de exploitatie van belastingvrije PV-installaties is. In dat geval kan de vervreemding waarschijnlijk in elk geval belastingplichtig zijn. De uitlatingen in de BMF-brief zijn ook nu helaas niet eenduidig.

Wegvallen van de „bedrijfsmatige besmetting"

Werd de installatie tot nu toe door een personenvennootschap geëxploiteerd (bv. grondbezittende vennootschap) en was de vennootschap uitsluitend wegens de exploitatie van de PV-installatie bedrijfsmatig, dan vervalt deze bedrijfsmatige kwalificatie vanaf 2022. Wanneer de bedrijfsmatigheid wegvalt, moeten bijvoorbeeld onroerende zaken uit de vennootschap in het privévermogen worden onttrokken. Dit kan door de gedwongen openbaring van stille reserves leiden tot aanzienlijke onttrekkingswinsten. Echter kan eventueel in het kader van een vertrouwensbeschermingsregeling tot het einde van 31-12-2023 nog door structureringsmaatregelen een bedrijfsmatigheid tot stand worden gebracht. Deze gevallen dienen vanwege de fiscale gevoeligheid beslist vakkundig te worden getoetst en begeleid.

Melding van de werkzaamheid

Tot nu toe moest voor elke PV-installatie die met winstoogmerk werd geëxploiteerd ook een aanmelding bij het Finanzamt worden gedaan via de elektronische vragenlijst voor fiscale registratie. Wordt een inkomstenbelastingvrije installatie geëxploiteerd en wordt gebruikgemaakt van de kleineondernemersregeling voor de omzetbelasting, dan is deze aanmelding niet meer vereist.

Terug naar overzicht