
Ondernemers die bouwprestaties aan projectontwikkelaars hebben verricht, mogen voorlopig niet met terugwerkende kracht worden aangeslagen voor de btw die op hun prestaties is verschuldigd. Dit heeft het Finanzgericht Berlin-Brandenburg in een procedure van voorlopige rechtsbescherming beslist bij beschikking van 03.06.2015 (Az. 5 V 5026/15). De verzoeker in de procedure had in 2009 bouwprestaties aan meerdere projectontwikkelaars verricht en deze overeenkomstig de destijds geldende richtlijnen van het Bundesministerium der Finanzen niet aan de btw onderworpen. De belastingschuld moest namelijk door de projectontwikkelaars als afnemers worden gedragen (de zogenoemde verleggingsregeling, reverse charge). Nadat de BFH in augustus 2013 had beslist dat § 13b Abs. 2 Satz 2 Umsatzsteuergesetz – UStG –, die bepalend is voor de verlegging van de belastingschuld, anders dan de fiscus meende, in de regel niet op projectontwikkelaars van toepassing is, en de projectontwikkelaars vervolgens de door hen betaalde btw hadden teruggevorderd, legde de Belastingdienst de btw op aan de verzoeker. Daarbij steunde zij op de in juli 2014 – als reactie op de uitspraak van de BFH – door de wetgever nieuw ingevoerde regeling van § 27 Abs. 19 Satz 2 UStG, die de bescherming van het gerechtvaardigd vertrouwen voor de hier aan de orde zijnde gevallen met terugwerkende kracht uitsluit. De rechter heeft in zijn uitspraak overwogen dat er aanzienlijke constitutionele twijfels bestaan over deze regeling, omdat op grond van § 176 Abs. 2 AO bij wijziging van een aanslag ten gunste van de belastingplichtige bescherming van het gerechtvaardigd vertrouwen geldt, wanneer een hoogste federale rechter beslist dat een algemene administratieve voorschrift van de Bondsregering niet in overeenstemming is met het geldende recht. De uitsluiting van de vertrouwensbescherming zou mogelijk in strijd zijn met het in de grondwet verankerde verbod op terugwerkende kracht van wetten. De wetgever heeft met § 27 Abs. 19 UStG ingegrepen in de op het tijdstip van de afkondiging reeds ontstane belastingschuld over 2009, zodat een ontoelaatbare zogenoemde echte terugwerkende kracht in ieder geval niet uitgesloten lijkt. De verzoeker dreigt bovendien aanzienlijke vermogensschade te lijden, omdat hij de btw wegens civielrechtelijke verjaring niet alsnog aan zijn contractspartij in rekening kan brengen. Aangezien de constitutionele twijfels slechts één enkele norm betreffen, was de verlening van voorlopige rechtsbescherming ook niet uitgesloten op grond van de overwegingen die golden in de procedure inzake de overnachtingsbelasting (vgl. het persbericht nr. 6/2015 van 04.06.2015). Een definitieve beantwoording van de vraag is voorbehouden aan een bodemprocedure. Een dergelijke procedure is op dit moment echter nog niet aanhangig. Finanzgericht Berlin-Brandenburg, 5-V-5026/15 Persbericht van 05.06.2015
Veelgestelde vragen
Veelgestelde vragen
Kunnen bouwondernemers met terugwerkende kracht worden aangesproken voor btw op bouwprestaties aan projectontwikkelaars?
Volgens een beschikking van het Finanzgericht Berlin-Brandenburg van 03-06-2015 (Az. 5 V 5026/15) is een aanspraak met terugwerkende kracht voorlopig uitgesloten. De rechtbank verleende in een kort geding opschorting van de tenuitvoerlegging, omdat er aanzienlijke grondwettelijke twijfels bestaan over § 27 Abs. 19 UStG. Een definitieve uitspraak blijft voorbehouden aan de bodemprocedure.
Wat heeft de BFH in 2013 beslist over de belastingplicht bij bouwprestaties aan projectontwikkelaars?
De Bundesfinanzhof oordeelde in augustus 2013 dat § 13b Abs. 2 Satz 2 UStG, in tegenstelling tot de tot dan toe geldende opvatting van de belastingdienst, in de regel niet van toepassing is op projectontwikkelaars (Bauträger). Daardoor geldt de verleggingsregeling (Reverse-Charge) niet bij bouwprestaties aan zuivere projectontwikkelaars. Gevolg was dat veel projectontwikkelaars de door hen afgedragen omzetbelasting terugvorderden.
Wat regelt § 27 Abs. 19 UStG en waarom is de bepaling staatsrechtelijk omstreden?
§ 27 Abs. 19 UStG werd in juli 2014 ingevoerd als reactie op de BFH-jurisprudentie en sluit met terugwerkende kracht de bescherming van gerechtvaardigd vertrouwen voor oude gevallen uit, zodat presterende ondernemers achteraf alsnog tot btw-afdracht kunnen worden verplicht. Het FG Berlin-Brandenburg ziet hierin een mogelijk ontoelaatbare echte terugwerkende kracht, omdat achteraf wordt ingegrepen in reeds ontstane belastingschulden. Bovendien wordt de vertrouwensbescherming uit § 176 Abs. 2 AO buiten werking gesteld.
Welke economische schade dreigt voor de presterende ondernemer in dergelijke oude gevallen?
De presterende bouwondernemer kan de naderhand vastgestelde omzetbelasting wegens civielrechtelijke verjaring van zijn vorderingen doorgaans niet meer bij zijn contractpartner (de projectontwikkelaar) in rekening brengen. Daardoor blijft de belastingdruk economisch bij hem hangen, wat een aanzienlijke vermogensschade vormt. Dit aspect was voor het FG een wezenlijk argument voor het verlenen van voorlopige rechtsbescherming.
Welke rol speelt § 176 Abs. 2 AO bij de bescherming van gewekt vertrouwen in deze gevallen?
§ 176 Abs. 2 AO beschermt de belastingplichtige bij wijziging van belastingaanslagen wanneer een hoogste federaal gerechtshof vaststelt dat een algemene administratieve voorschrift niet in overeenstemming is met het geldende recht. Omdat de bouwondernemers in vertrouwen op de BMF-richtlijnen handelden en de BFH deze verwierp, zou eigenlijk vertrouwensbescherming moeten worden verleend. § 27 Abs. 19 UStG doorbreekt deze bescherming echter uitdrukkelijk – daarin ligt de kern van het grondwettelijke geschil.