Bij beschikking van 23-09-2014 (Az. II ZB 4/14) heeft het Bundesgerichtshof beslist dat de rechtspraak en de wettelijke bepalingen inzake de noodbestuurder niet van toepassing zijn op de Gesellschaft bürgerlichen Rechts (GbR).
Geschil over de noodbestuurder
In de beslechte zaak was een vennoot aangesteld als enige bestuurder van de GbR. Toen deze plotseling overleed, ontstonden tussen de overgebleven vennoten geschillen over onder meer de beschikkingsbevoegdheid. In het kader van deze onenigheid diende een vennoot bij het bevoegde Amtsgericht een verzoek in tot benoeming van een noodbestuurder. De vennootschapsovereenkomst luidt — voor zover hier van belang — als volgt:

„§ 6 Bestuur en vertegenwoordiging 1. Uitsluitend de vennoot F.M. is bevoegd tot bestuur en vertegenwoordiging. Voor zover deze verhinderd is, wordt hij — voor zover hij niet bij schriftelijke volmacht een derde tot zijn vertegenwoordiger aanwijst, hetgeen hem voorbehouden is — in zijn bestuursfunctie vertegenwoordigd door zijn echtgenote, de verschenene sub 2. Vertegenwoordiging door andere familieleden, met uitzondering van de verschenene sub 2, is niet mogelijk. … § 9 Overlijden van een vennoot 9.1. Door het overlijden van een vennoot wordt de vennootschap niet ontbonden. Zij wordt voortgezet met de erfgenaam of erfgenamen van de overleden vennoot, voor zover het verwanten in rechte lijn of adoptiefkinderen betreft en de overblijvende vennoten niet met 3/4-meerderheid besluiten dat dezen worden uitgekocht. …“
De noodbestuurder – welke regels gelden?
Het BGH is van oordeel dat bij een GbR geen noodbestuurder kan worden aangesteld, omdat deze ingevolge § 29 BGB uitsluitend is voorzien voor verenigingen waarin het bestuur zonder aanstelling van een noodbestuurder niet meer kan handelen. Een leemte in de regelgeving die tot toepasselijkheid van deze norm ook op de bepalingen inzake de GbR zou kunnen leiden, hebben de rechters niet aangenomen en daarom afgewezen. Volgens de rechters bestaan er bij een GbR juist duidelijke wettelijke regelingen voor het geval de enige bestuurder wegvalt. Het wegvallen van de (enige) tot bestuur bevoegde vennoot door overlijden leidt tot de gezamenlijke bestuursbevoegdheid van de overgebleven vennoten (§ 709 Abs. 1 BGB). Dat de overgebleven vennoten elkaar kunnen blokkeren, is inherent aan de gezamenlijke bestuursbevoegdheid als wettelijk uitgangspunt bij de Gesellschaft bürgerlichen Rechts en levert daarom geen leemte in de regelgeving op, aldus de rechters van het Bundesgerichtshof.
Conclusie – geen noodbestuurder bij een GbR
Het wegvallen van de enige bestuurder leidt er per saldo toe dat de gezamenlijke bestuursbevoegdheid van alle vennoten automatisch herleeft.
Veelgestelde vragen
Veelgestelde vragen
Kan bij een GbR een nood-bestuurder worden benoemd?
Nee. De BGH heeft bij beschikking van 23.09.2014 (Az. II ZB 4/14) beslist dat de benoeming van een nood-bestuurder bij een Gesellschaft bürgerlichen Rechts (GbR) niet mogelijk is. De bepaling van § 29 BGB is toegesneden op verenigingen en niet overdraagbaar op de GbR, aangezien er geen onbedoelde leemte in de regeling bestaat.
Wat gebeurt er in een GbR wanneer de enige bestuurder overlijdt?
Bij het wegvallen van de enige tot bestuur bevoegde vennoot herleeft automatisch de gezamenlijke bestuursbevoegdheid van de overgebleven vennoten conform § 709 Abs. 1 BGB. Alle vennoten zijn dan gezamenlijk bevoegd en verplicht tot het voeren van het bestuur.
Waarom ziet de BGH geen wettelijke leemte voor een nood-bestuurder bij de GbR?
De BGH redeneert dat de wet voor het wegvallen van de enige bestuurder in § 709 lid 1 BGB ondubbelzinnig de gezamenlijke bestuursbevoegdheid van alle vennoten voorschrijft. Ook een mogelijke wederzijdse blokkade van de overgebleven vennoten is inherent aan dit wettelijke uitgangspunt en rechtvaardigt geen analoge toepassing van § 29 BGB.
Voor welke rechtsvorm is § 29 BGB (noodbenoeming) eigenlijk bedoeld?
§ 29 BGB regelt uitsluitend de noodbenoeming van een bestuurslid bij een vereniging, wanneer de vereiste bestuursleden ontbreken en de vereniging daardoor handelingsonbekwaam zou zijn. De bepaling is niet van overeenkomstige toepassing op personenvennootschappen zoals de GbR.
Hoe kunnen GbR-vennoten het uitvallen van de bestuurder contractueel afdekken?
Aangezien er geen nood-bestuurder kan worden benoemd, is een duidelijke regeling in de vennootschapsovereenkomst aan te bevelen, bijvoorbeeld door het aanwijzen van een plaatsvervanger, een opvolgingsclausule of een volmachtsregeling. Zo blijft de GbR ook bij uitval van de enige bestuurder handelingsbekwaam en worden geschillen tussen de overgebleven vennoten voorkomen.