In principe kan ook de verkoop van een mede-eigendomsaandeel in onroerend goed tot belastingheffing leiden wanneer deze binnen tien jaar na aanschaf plaatsvindt. Uitzonderingen bestaan met name wanneer het gaat om een door de eigenaar zelf bewoonde woning die in het jaar van vervreemding en in de twee voorafgaande jaren voor eigen woondoeleinden is gebruikt. In een in 2023 door de Bundesfinanzhof (BFH) besliste zaak had een echtpaar in 2008 een eengezinswoning verworven en deze sindsdien gezamenlijk bewoond.
Nadat het huwelijk later in een crisis was geraakt, verhuisde de echtgenoot in 2015 en verkocht hij in 2017 het mede-eigendomsaandeel van de helft aan zijn echtgenote. Zij bleef met het gezamenlijke kind in de woning wonen. De Belastingdienst ging hier uit van een belastbare vervreemding van het onroerend goed-aandeel, want de tienjaarstermijn was nog niet verstreken en de echtgenoot was meer dan twee jaar vóór de vervreemding vertrokken. Sindsdien was er voor hem dus ook geen sprake meer van eigen bewoning.
De echtgenoot voerde aan dat hij in de periode tussen vertrek en vervreemding zijn huishelft feitelijk aan zijn kind ter beschikking had gesteld. In beginsel geldt het ter beschikking stellen van een woning aan een kind in het kader van de regeling voor vervreemding van onroerend goed weliswaar als eigen bewoning, maar de BFH achtte dit in dit geval niet doorslaggevend om belastingheffing achterwege te laten. Ook een eventuele verkoopdruk die door de echtgenote zou zijn uitgeoefend, zag de BFH niet als argument.
Aanwijzing
Deze zaak laat zien hoe snel in de moeilijke situatie van een scheiding ook nog fiscale schade kan ontstaan. Hier had dit voorkomen kunnen worden, bijvoorbeeld door het verstrijken van de tienjaarstermijn voor de verkoop af te wachten.