Kennis

Meer geld bij dubbele huishouding: kosten voor inrichting volgens BFH volledig aftrekbaar

Kosten voor inrichting en huisraad vallen volgens een recent BFH-arrest van 04-04-2019 VI R 18/17 niet onder de maximumgrens van § 9 Abs. 1 Satz 3 Nr. 5 Satz 4 EStG.

Meer geld bij dubbele huishouding: kosten voor inrichting volgens BFH volledig aftrekbaar
3 min leestijdBijgewerkt: 2021-01-12Aanbevolen

Kosten voor inrichting en huisraad vallen volgens een recent BFH-arrest van 04-04-2019 VI R 18/17 niet onder de maximumgrens van § 9 Abs. 1 Satz 3 Nr. 5 Satz 4 EStG.

Het gaat veeleer om overige meerkosten van een dubbele huishouding, die zonder meer als beroepskosten aftrekbaar zijn.

Achtergrond:

Als verblijfskosten voor een dubbele huishouding kunnen binnen Duitsland de daadwerkelijke kosten voor het gebruik van het verblijf in aanmerking worden genomen, met een maximum van EUR 1.000 per maand.

In de betreffende zaak had de eiser een beroepsmatig veroorzaakte dubbele huishouding gevoerd. Kosten voor huur inclusief bijkomende kosten alsmede aanschafkosten voor de inrichting voerde hij op als beroepskosten.

De Belastingdienst erkende de kosten echter slechts tot een bedrag van EUR 1.000 per maand.

De belastingplichtige ging hiertegen in beroep en kreeg gelukkig in alle instanties gelijk.

Hierover overwogen de rechters van de BFH verder:

Naar het oordeel van de Senat behoren alle kosten die de belastingplichtige heeft gedragen om het verblijf te gebruiken (voor zover individueel toerekenbaar) tot de aftrekbare kosten in de zin van § 9 Abs. 1 Satz 3 Nr. 5 Satz 4 EStG, die (slechts) tot het maximumbedrag van EUR 1.000 per maand kunnen worden afgetrokken.

  • Ook de (warme en koude) servicekosten inclusief de stroomkosten behoren tot deze verblijfskosten (zo reeds Senat-beschikking van 12-7-2017 – VI R 42/15).

  • Heeft de belastingplichtige een woning gehuurd, dan behoort tot deze kosten allereerst de kale huur inclusief servicekosten; bij een koopwoning de afschrijving (AfA) op de aanschaf- of voortbrengingskosten alsmede de rente op vreemd vermogen, voor zover die toerekenbaar is aan de gebruiksperiode.

Niet binnen de grens van EUR 1.000 vallen de kosten van de belastingplichtige voor huishoudelijke artikelen en inrichting inclusief de AfA.

  • Deze kosten draagt de belastingplichtige voor de aanschaf van bepaalde activa of zij dienen, zoals de AfA, ter verdeling van de aanschafkosten over de gebruiksduur van de betreffende activa.
  • Daaraan verandert ook het feit niets dat de belastingplichtige de activa in het verblijf gebruikt. Het gebruik van de inrichting en de huishoudelijke artikelen is niet gelijk te stellen met het gebruik van het verblijf als zodanig.
  • Dergelijke kosten zijn daarom – voor zover zij noodzakelijk zijn – zonder beperking in hoogte aftrekbaar.

Opmerking van Rechtsanwalt (Duitse advocaat), Steuerberater (Duitse belastingadviseur) Prof. Dr. Hans-Joachim Kanzler, mede-uitgever van de NWB en voorzittend rechter bij de BFH b.d., Bad Kreuznach:

Het voor de eiser gunstige arrest is in strijd met de tot dusver geldende opvatting van het BMF, dat de kosten voor de meubilering van de woning of het verblijf alsmede voor de huisraad rekende tot de slechts beperkt aftrekbare verblijfskosten (BMF, schrijven van 24-10-2014, BStBl I 2014, 1412 Rz. 104).

Daarmee werd tegelijk het in de literatuur besproken geschilpunt over de uitleg van de wettelijke voorwaarde „kosten voor het gebruik van het verblijf" beslist in de zin die ook reeds ten grondslag lag aan het arrest van de BFH van 13-11-2012 – VI R 50/11 (BStBl II 2013, 286, Rz 9, m.w.N.). Reeds vóór de inwerkingtreding van de aftrekbeperking van § 9 Abs. 1 Satz 3 Nr. 5 Satz 4 EStG rekende de VI. Senat van de BFH de aanschafkosten voor de noodzakelijke woninginrichting niet tot de verblijfskosten, maar tot de overige noodzakelijke meerkosten.

Of de wetgever deze passage uit het arrest van 13-11-2012 überhaupt had kunnen meenemen, is twijfelachtig, want de wet ter wijziging en vereenvoudiging van de vennootschapsbelasting en het fiscale reiskostenrecht en het arrest van 13-11-2012 werden ongeveer gelijktijdig gepubliceerd.

In het BMF-schrijven van 24-10-2014 werd echter zonder nadere onderbouwing het standpunt ingenomen dat het andersluidende arrest van 13-11-2012 achterhaald was. Deze uitspraak had overigens betrekking op de kosten voor een afzonderlijk gehuurde parkeerplaats.

Bron: BFH, arrest van 4-4-2019 – VI R 18/17, NWB-database vindplaats(en): NWB WAAAH-16592

Veelgestelde vragen

Veelgestelde vragen

  • Vallen kosten voor inrichting bij een dubbele huishouding onder de grens van 1.000 euro?

    Nee. Volgens het arrest van het BFH van 04.04.2019 (VI R 18/17) behoren uitgaven voor inrichting en huisraad inclusief afschrijving (AfA) niet tot de huisvestingskosten in de zin van § 9 Abs. 1 Satz 3 Nr. 5 Satz 4 EStG. Zij zijn als overige meerkosten van de dubbele huishouding volledig aftrekbaar als beroepskosten (Werbungskosten), voor zover zij noodzakelijk zijn.

    Permalink naar de vraag

  • Welke kosten worden bij doppelte Haushaltsführung beperkt tot 1.000 euro per maand?

    Beperkt zijn alle uitgaven die dienen voor het gebruik van de woning zelf. Bij een huurwoning behoren daartoe de kale brutohuur evenals de warme en koude servicekosten inclusief stroomkosten. Bij een koopwoning vallen de AfA (afschrijving) op de aanschaf- of vervaardigingskosten alsook de schuldrente, voor zover deze betrekking heeft op de gebruiksperiode, onder de begrensde kosten.

    Permalink naar de vraag

  • Hoe motiveert de BFH de gescheiden behandeling van inrichting en huisvesting?

    De BFH maakt onderscheid tussen het gebruik van de woning als zodanig en het gebruik van inrichtingsvoorwerpen. Uitgaven voor huisraad en meubels dienen voor de aanschaf van zelfstandige bedrijfsmiddelen respectievelijk – via de AfA – voor de verdeling van deze aanschafkosten. Het feit dat deze voorwerpen in de tweede woning worden gebruikt, doet niets af aan hun zelfstandige fiscale kwalificatie.

    Permalink naar de vraag

  • Welk effect heeft het BFH-arrest op de tot nu toe geldende opvatting van de belastingdienst?

    Het arrest is in strijd met de tot dusver geldende opvatting van de Duitse belastingdienst in het BMF-schrijven van 24.10.2014 (BStBl I 2014, 1412 Rz. 104), volgens welke kosten voor meubilair en huisraad onder de slechts beperkt aftrekbare huisvestingskosten vielen. Belastingplichtigen kunnen zich nu beroepen op de voor hen gunstigere BFH-rechtspraak en inrichtingskosten bovenop de grens van 1.000 euro in aftrek brengen.

    Permalink naar de vraag

  • Moeten ook bedrijfskosten en stroomkosten worden meegerekend in de maximumgrens van 1.000 euro?

    Ja. Volgens de rechtspraak van het BFH (bevestigd in het besluit van 12-07-2017 – VI R 42/15) behoren zowel de warme als de koude bedrijfskosten inclusief de stroomkosten tot de huisvestingskosten en vallen daarmee onder de maandelijkse maximumgrens van 1.000 euro.

    Permalink naar de vraag

Terug naar overzicht