In april 2018 heeft het Duitse Bundesverfassungsgericht de huidige Grundsteuer (Duitse onroerendezaakbelasting) in strijd met de grondwet verklaard. Gevolg daarvan is dat de politiek de verouderde grondwaardering vóór eind 2019 moet hervormen; anders mag er geen Grundsteuer meer worden geheven. Voor de berekening van de Grundsteuer worden momenteel grondwaarden, ook wel eenheidswaarden (Einheitswerte) genoemd, gebruikt die voor de oude deelstaten in 1964 en voor de nieuwe deelstaten zelfs in 1935 zijn vastgesteld. Door de nieuwe regeling van de Grundsteuer mag woonruimte echter niet duurder worden. Aangezien de grondwaarden zich de afgelopen decennia hebben gewijzigd en meestal van een waardestijging moet worden uitgegaan, heeft de federale wetgever de mogelijkheid om door verlaging van de belastinggrondslag (Steuermesszahl) invloed uit te oefenen. Deze wordt echter vermenigvuldigd met de heffingsvoet (Hebesatz) van de betreffende gemeente. Omdat de gemeenten gehouden zijn de tot dusver gerealiseerde inkomsten uit de Grundsteuer niet te verhogen, moeten zij hun heffingsvoeten dienovereenkomstig aanpassen. Naar de huidige stand hebben CDU/CSU en SPD zich kunnen vinden in een waardeafhankelijk model. Dit zou voor huurders en eigenaren een dreigende lastenverzwaring kunnen betekenen. De nieuwe Grundsteuer zou hierbij worden berekend aan de hand van bouwjaar, referentiegrondwaarden en forfaitaire nettohuren. De Bund der Steuerzahler heeft hierop kritiek geuit, omdat het model te ingewikkeld, te bureaucratisch en te kostbaar zou zijn. Met name sociaal zwakkeren in agglomeraties zouden daardoor rekening moeten houden met stijgende woonlasten. Hier is een deelsucces behaald. Het waardeafhankelijke model voorzag in een grotestadstoeslag, die is komen te vervallen. Een compromis tussen Union en SPD voorziet in een openingsclausule, waardoor de gemeenten van het waardeafhankelijke federale model kunnen afwijken naar het oppervlaktemodel. Slaagt de wetgever er vóór 31 december 2019 in om het Grundsteuerrecht opnieuw te regelen, dan heeft het Bundesverfassungsgericht voorzien in een overgangsregeling. Deze houdt in dat tot 31 december 2024 nog de tot nu toe gehanteerde berekening kan worden toegepast. De nieuwe regeling moet dan met ingang van 1 januari 2025 worden toegepast. Petra Römer Bronnen: – tijdschrift „Der Steuerzahler“ – BMF maandbericht juli 2019 Grundsteuerreform
Veelgestelde vragen
Veelgestelde vragen
Waarom moet de onroerendezaakbelasting (Grundsteuer) in Duitsland worden hervormd?
Het Bundesverfassungsgericht heeft in april 2018 de tot dan toe geldende Grundsteuer ongrondwettig verklaard, omdat deze gebaseerd is op verouderde eenheidswaarden (Einheitswerte). Deze stammen in de oude deelstaten uit 1964 en in de nieuwe deelstaten zelfs uit 1935. De wetgever moest vóór eind 2019 een nieuwe regeling treffen, anders had er geen Grundsteuer meer geheven mogen worden.
Tot wanneer geldt de oude Grundsteuer-berekening nog?
Het Bundesverfassungsgericht heeft een overgangsregeling vastgelegd: tot en met 31 december 2024 mag de bestaande berekening verder worden toegepast. Vanaf 1 januari 2025 moet de nieuwe regeling verplicht worden gehanteerd.
Hoe wordt de Grundsteuer (Duitse onroerendezaakbelasting) berekend volgens het nieuwe waardeafhankelijke model?
Het waardeafhankelijke Bundesmodell houdt rekening met drie factoren: het bouwjaar van het gebouw, de Bodenrichtwert (richtwaarde van de grond) en geforfaiteerde nettohuren. Hieruit volgt een grondwaarde, die wordt vermenigvuldigd met de Steuermesszahl (belastingmaatstaf) en het gemeentelijke Hebesatz (heffingspercentage).
Wat betekent de openingsclausule bij de hervorming van de onroerendgoedbelasting?
De openingsclausule is een compromis tussen CDU/CSU en SPD, dat de deelstaten toestaat af te wijken van het waardeafhankelijke federale model en in plaats daarvan een oppervlaktemodel toe te passen. Daarmee kunnen deelstaten kiezen voor een eenvoudigere berekening op basis van de perceel- en gebouwoppervlakte.
Leidt de hervorming van de Grundsteuer tot hogere woonlasten?
In beginsel is het niet de bedoeling dat wonen door de hervorming duurder wordt. Omdat de waarde van onroerend goed sinds decennia in de meeste gevallen is gestegen, kan de federale overheid via de Steuermesszahl bijsturen, en gemeenten worden geacht hun Hebesatz daarop af te stemmen. Een hogere lastendruk voor huurders en eigenaren, met name in stedelijke gebieden, valt desondanks niet uit te sluiten.