
Veelgestelde vragen
Veelgestelde vragen
Waarom wil de wetgever het begrip eerste opleiding vanaf 2015 wettelijk definiëren?
Tot nu toe was het begrip eerste opleiding fiscaal niet duidelijk gedefinieerd, wat tot talrijke geschillen met de Duitse Belastingdienst leidde. Met een wettelijke definitie vanaf 2015 wil de wetgever rechtszekerheid scheppen en eenduidig vastleggen wanneer er sprake is van een eerste opleiding en wanneer van een vervolgopleiding. Deze afbakening is bepalend voor de fiscale aftrek van opleidingskosten.
Welk fiscaal belang heeft het onderscheid tussen eerste en tweede opleiding?
Kosten voor een eerste opleiding zijn alleen aftrekbaar als bijzondere uitgaven tot 6.000 EUR per jaar en werken uitsluitend door in het jaar waarin inkomsten worden behaald. Kosten van een tweede opleiding gelden daarentegen als beroepskosten of bedrijfskosten en zijn volledig aftrekbaar. Bovendien kunnen zij als verliesverrekening worden meegenomen naar latere jaren waarin voor het eerst inkomen wordt behaald.
Aan welke minimumvereisten moet een eerste opleiding vanaf 2015 voldoen?
Volgens de geplande regeling moet een eerste opleiding een geordende opleiding zijn met een minimumduur van 18 maanden in voltijd en afgesloten worden met een eindexamen. Korte cursussen of spoedopleidingen voldoen daarmee niet meer aan deze voorwaarden en gelden niet als erkende eerste opleiding. Hiermee wil de wetgever constructies tegengaan waarbij korte vooropleidingen uitsluitend voor fiscale optimalisatie worden gebruikt.
Welke gevolgen heeft de nieuwe regeling voor studenten en personen in een beroepsopleiding?
Studenten die direct na het eindexamen met een studie beginnen, bevinden zich nog steeds in een eerste opleiding met beperkte aftrek als bijzondere uitgaven. Wie echter eerst een volwaardige beroepsopleiding voltooit en daarna gaat studeren, kan de studiekosten als beroepskosten aftrekken. Korte opleidingen van minder dan 18 maanden volstaan vanaf 2015 niet meer om dit fiscale voordeel te verkrijgen.