Feiten:
Eiseres was bij testament enig erfgenaam van haar overleden echtgenoot. Tot de nalatenschap behoorde ook de helft van een eengezinswoning, die tot het overlijden van de erflater door de echtgenoten gezamenlijk en daarna door eiseres alleen voor eigen bewoning werd en wordt gebruikt. De verkrijging van het aandeel van de helft van de erflater werd bij aanslag erfbelasting vrijgesteld.
Bij notariële akte droeg eiseres enkele maanden na het opleggen van de aanslag erfbelasting de woning over aan haar dochter, onder voorbehoud van een levenslang vruchtgebruik ten gunste van eiseres, die de woning verder voor eigen bewoning gebruikt.
De Belastingdienst wijzigde de aanslag erfbelasting en legde erfbelasting op, omdat zij van mening was dat aan de voorwaarden voor naheffing volgens § 13 (1) Nr. 4b zin 5 ErbStG was voldaan, aangezien de dochter onroerend goed had verkregen.
Tegen de gewijzigde aanslag erfbelasting tekende eiseres bezwaar aan, met de motivering dat voor de naheffing uitsluitend het wegvallen van het eigen gebruik beslissend zou zijn.
Het bezwaar werd als ongegrond afgewezen. De Belastingdienst was van mening dat het eigen gebruik op grond van een eigen recht van de verkrijger als eigenaar moest plaatsvinden en dat eigen gebruik als vruchtgebruiker niet voldoende was.
Eiseres stelde beroep in bij het Finanzgericht Münster en handhaafde haar verzoek tot vernietiging van de wijzigingsaanslag, onder herhaling en verdieping van haar standpunt uit de bezwaarprocedure.
Uitspraak van het Finanzgericht Münster van 28-09-2016, AZ 3 K 3757/15 Erb
Het beroep is ontvankelijk, maar ongegrond.
Het Finanzgericht motiveert de beslissing ten gunste van de Belastingdienst met de overweging dat de belastingvrijstelling is komen te vervallen doordat eiseres het onroerend goed binnen tien jaar na de verkrijging van de erflater aan haar dochter heeft overgedragen. Het is niet voldoende dat eiseres het onroerend goed op grond van het voorbehouden vruchtgebruik nog verder voor eigen bewoning gebruikt.
De wettekst regelt de eigendomspositie niet uitdrukkelijk. Een deel van de literatuur gaat er echter van uit dat bij overdracht van het eigendom de belastingvrijstelling niet vervalt wanneer de verkrijger de gezinswoning – als huurder of vruchtgebruiker – blijft gebruiken. Andere heersende opvattingen maken onderscheid naargelang aan wie de verkrijger het eigendom overdraagt. Volgens deze opvatting zou de belastingvrijstelling niet komen te vervallen wanneer de verkrijger de gezinswoning aan zijn kinderen overdraagt, aangezien een totaalbeschouwing tot het resultaat zou kunnen leiden dat de wetgever niet het woningeigendom in het algemeen, maar slechts in een „familiair gebruiks- en functioneel verband" wilde beschermen.
Naar het oordeel van het FG Münster volgt uit het totaalconcept van de bepalingen inzake de vrijstelling van de gezinswoning bij verkrijging krachtens erfrecht door de echtgenoot of door de kinderen, dat de belastingvrijstelling het gebruik voor eigen bewoning vanuit de voortdurende rechtspositie als eigenaar veronderstelt. Volgens zin 1 van de betreffende bepaling is de eigendomsverkrijging van de gezinswoning vrijgesteld. Wordt het eigendom echter hetzij op grond van een verplichting door de erflater hetzij ten behoeve van de verdeling van de nalatenschap verder overgedragen, dan komt de belastingvrijstelling niet aan de orde. Deze regelingen tonen aan dat de belastingvrijstelling is gekoppeld aan de eigendomspositie.
Het FG volgt ook niet de opvatting dat de schadelijkheid van de eigendomsoverdracht moet worden beoordeeld afhankelijk van de persoon aan wie de verkrijger de gezinswoning overdraagt.
Tegen een dergelijke totaalbeschouwing van de bepalingen in § 13 (1) Nr. 4 b en 4 c ErbStG pleit dat door de Erbschaft- und Schenkungsteuergesetz steeds een concrete verkrijging tussen twee betrokken personen – hier erflater en verkrijger op grond van erfrechtelijke bepalingen – wordt belast. Een samenvoeging van de „overdrachtsketen" in het kader van de belastingheffing over deze afzonderlijke verkrijging zou daarom in strijd zijn met de systematiek van de wet.
De herziening (Revision) werd toegelaten ten behoeve van de rechtsontwikkeling.
Bron: FG Münster
Veelgestelde vragen
Veelgestelde vragen
Vervalt de vrijstelling van erfbelasting voor een gezinswoning bij overdracht onder voorbehoud van vruchtgebruik?
Ja. Volgens het FG Münster (uitspraak van 28-09-2016, 3 K 3757/15 Erb) vervalt de vrijstelling op grond van § 13 Abs. 1 Nr. 4b ErbStG wanneer de langstlevende echtgenoot de geërfde gezinswoning binnen tien jaar overdraagt aan een kind – ook als hij zich een levenslang vruchtgebruik voorbehoudt en de woning zelf blijft bewonen. Het enkele zelfgebruik als vruchtgebruiker volstaat niet, omdat de vrijstelling gekoppeld is aan het voortdurende eigenaarschap.
Aan welke voorwaarden moet voor de belastingvrijstelling van de gezinswoning op grond van § 13 Abs. 1 Nr. 4b ErbStG blijvend worden voldaan?
De verwervende echtgenoot moet de gezinswoning na het overlijden onverwijld voor eigen bewoning gebruiken en dit eigen gebruik gedurende ten minste tien jaar vanuit zijn positie als eigenaar handhaven. Een overdracht van het eigendom binnen de tienjaarstermijn leidt tot nahefffing, ook wanneer het feitelijke gebruik wordt voortgezet.
Maakt het uit aan wie de gezinswoning binnen de tienjaarstermijn wordt overgedragen?
Volgens het FG Münster niet. Ook een overdracht aan de eigen kinderen is schadelijk en leidt tot het vervallen van de vrijstelling van erfbelasting. De rechtbank wijst een onderscheid naar de persoon van de verkrijger af, omdat het erfbelastingrecht steeds alleen de concrete individuele verkrijging tussen erflater en verkrijger belast en een totaalbeschouwing van de overdrachtsketen in strijd zou zijn met de systematiek van de wet.
Waarom volstaat het voortgezette eigen gebruik als vruchtgebruiker niet voor het behoud van de belastingvrijstelling?
Uit de algemene opzet van § 13 Abs. 1 Nr. 4b ErbStG volgt dat de belastingvrijstelling aanknoopt bij de eigendomsverkrijging en het voortdurende eigenaarschap. Reeds de bepaling dat de vrijstelling vervalt bij overdracht op grond van een verplichting van de erflater of ten behoeve van de boedelverdeling, toont dit verband aan. Een gebruik enkel als vruchtgebruiker volstaat daarom niet voor het behoud van de belastingvrijstelling.
Welke gevolgen voor de planning vloeien voort uit het arrest met betrekking tot de schenking bij leven?
Erfgenamen die een van belasting vrijgestelde gezinswoning aan hun kinderen willen overdragen, dienen dit pas na afloop van de tienjarige behoudtermijn te doen om navordering te voorkomen. Ook een voorbehoud van vruchtgebruik beschermt niet tegen het met terugwerkende kracht vervallen van de belastingvrijstelling. Aangezien beroep in cassatie is toegestaan, dienen vergelijkbare zaken open te worden gehouden en de verdere rechtspraak nauwlettend te worden gevolgd.