De verhuur van een winkelcentrum is niet onderworpen aan de Gewerbesteuer, zoals het Bundesfinanzhof (BFH) heeft beslist bij arrest van 14 juli 2016, IV R 34/13. De verhuur vindt veeleer nog plaats in het kader van het private vermogensbeheer. Voor het aannemen van een onderneming (Gewerbebetrieb) is het niet voldoende dat de verhuurder naast de loutere verhuur van de winkelruimten de voor de exploitatie van het winkelcentrum noodzakelijke infrastructuurvoorzieningen ter beschikking stelt en reclame- en verkoopbevorderende maatregelen voor het gehele winkelcentrum uitvoert.
In de berechte zaak had een verhuurmaatschappij een winkelcentrum met een verkoopoppervlakte van ongeveer 30.000 m² verhuurd aan circa 40 huurders, zoals detailhandelaren die goederen en diensten aanboden. De verhuurmaatschappij had de huurders verplicht overeenkomsten te sluiten met twee andere vennootschappen, zodat deze vennootschappen zorg droegen voor de lopende exploitatie, het onderhoud, de reiniging en de bewaking van het gehele winkelcentrum, inclusief de parkeergarage, alsmede voor de reiniging van de aanwezige sanitaire ruimten en personeelsruimten. De huurders waren jegens de verhuurmaatschappij verplicht een door henzelf gefinancierde reclamevennootschap op te richten. Deze betaalde een centermanager voor de uitvoering van reclamemaatregelen voor het winkelcentrum. De Belastingdienst en het Finanzgericht gingen ervan uit dat de verhuur van het winkelcentrum vanwege het grote aantal van deze diensten een onderneming (Gewerbebetrieb) vormde.
De BFH daarentegen oordeelde ten gunste van de verhuurster dat er geen sprake was van een onderneming. Volgens het arrest wordt het terrein van het private vermogensbeheer nog niet verlaten wanneer een winkelcentrum wordt verhuurd en aan de huurders begeleidende diensten worden verleend door de verhuurder zelf of in opdracht van deze door derden. Doorslaggevend was voor de BFH dat deze diensten betrekking hebben op de voor de verhuur van een winkelcentrum noodzakelijke infrastructuur. Diensten zoals reiniging, bewaking en het beschikbaar stellen van sanitaire en personeelsruimten zijn gebruikelijke prestaties bij de verhuur van een winkelcentrum. Reclame- en verkoopbevorderende maatregelen vormen weliswaar bijzondere prestaties naast de verhuur. Aangezien de verhuurmaatschappij daarmee echter het gehele winkelcentrum aanprijst, dient deze reclame overwegend het belang van de verhuurder en doet zij er dus niet aan af dat de verhuurprestatie het gehele prestatiegeheel zijn kenmerk verleent.
Bron: persbericht van de BFH
Veelgestelde vragen
Veelgestelde vragen
Is de verhuur van een winkelcentrum onderworpen aan de Gewerbesteuer (Duitse bedrijfsbelasting)?
Nee. De Bundesfinanzhof (BFH) heeft bij arrest van 14 juli 2016 (IV R 34/13) geoordeeld dat de verhuur van een winkelcentrum in beginsel nog tot het particuliere vermogensbeheer behoort en daarmee niet aan de Gewerbesteuer is onderworpen. Dit geldt ook wanneer de verhuurder aanvullende infrastructuur- en reclamediensten verricht.
Welke aanvullende diensten leiden bij de verhuur van een winkelcentrum niet tot een Gewerbebetrieb?
Gebruikelijke diensten zoals schoonmaak, bewaking, onderhoud en het ter beschikking stellen van sanitaire en sociale ruimten behoren tot de noodzakelijke infrastructuur van een winkelcentrum en vormen geen Gewerbebetrieb. Ook wanneer de verhuurder deze diensten door derden laat uitvoeren, blijft de activiteit binnen het kader van privé vermogensbeheer.
Zijn reclamemaatregelen voor een winkelcentrum schadelijk voor het vermogensbeheer?
Nee, ook reclame- en verkoopbevorderende maatregelen leiden niet noodzakelijk tot een commerciële onderneming. Omdat met de reclame het gehele winkelcentrum wordt aangeprezen, dient deze overwegend het belang van de verhuurder. De verhuurprestatie blijft daarmee de gehele dienstverlening kenmerken.
Wanneer verlaat de verhuur van een winkelcentrum het kader van particulier vermogensbeheer?
De grens naar bedrijfsmatige activiteit wordt overschreden wanneer de geleverde aanvullende diensten verder gaan dan de voor een winkelcentrum gebruikelijke infrastructuur en niet langer ondergeschikt zijn aan de verhuurprestatie. Zolang de diensten enkel betrekking hebben op de noodzakelijke infrastructuur, blijft sprake van vermogensbeheer.
Welke praktische betekenis heeft het BFH-arrest IV R 34/13 voor verhuurders?
Verhuurders van grote commerciële onroerende zaken zoals winkelcentra kunnen ook bij uitgebreide begeleidende dienstverlening doorgaans vrijgesteld blijven van de Gewerbesteuer (Duitse bedrijfsbelasting). De uitspraak biedt rechtszekerheid bij de afbakening tussen particulier vermogensbeheer en bedrijfsmatige activiteit en is met name relevant voor vastgoedvennootschappen.